Inleiding
De Eerste Wereldoorlog was een
oorlog met, in iets meer dan vier jaar tijd, ongeveer
9.000.000 dode en 40.000.000 gewonde soldaten. Dan komen
daar de vele, vele zieken nog bij, waarbij aangetekend
moet worden dat ik daarbij uitga van een hedendaagse
definitie van ziek en gewond.
Dit leidt meteen tot de eerste
medische kanttekening. Het was niet de taak der medici om
de soldaten weer gezond te maken, maar om hen
gevechtsklaar te maken. Het medische stond, zoals zoveel
zo niet alles in die tijd, in het teken van het militaire.
De medische noodzaak was ondergeschikt aan de militaire
noodzaak, het medische werk diende het belang van de
militaire inspanning.
Bovendien echter was het de taak der
artsenij zo veel mogelijk de staat geld te besparen, wat
leidde tot een verandering van de definities van ziek en
gezond. Ziek werd: ziek of gewond níet als gevolg van de
oorlog, en gewond werd: ziek of gewond wél als gevolg van
de oorlog.
De medici moesten zoveel mogelijk
mensen ziek zien te verklaren - waarvan uiteraard
voornamelijk de psychisch gewond geraakten de dupe werden
- omdat alleen bij ziekte of verwonding als gevolg van de
oorlog de staat een pensioen hoefde uit te betalen.
De verpleegkundigen
Maar over naar de verpleegkundigen. Daarvoor is het
noodzakelijk enkele cijfers te geven. Aan het begin van de
oorlog was het aantal artsen en verpleegkundigen, evenals
het aantal mitrailleurs, gering. Maar zoals het aantal
mitrailleurs al snel fiks begon te groeien, zo begonnen
ook de medische diensten fiks uit te dijen.
Het Royal Army Medical Corps,
bijvoorbeeld, het RAMC, groeide van 20.000 artsen en
verpleegkundigen in 1914 tot 13.000 officieren van
gezondheid en 150.000 overigen in 1918.
Die Britse artsen en verpleegkundigen
dienden in totaal 1088 miljoen keer een medicijn toe;
legden 1,5 miljoen spalken en 108 miljoen verbanden aan;
verbruikten 7250 ton katoen en zetten meer dan 20.000 keer
een kunstoog in.
De Duitse militair geneeskundige
dienst verstrekte maar liefst 200 miljoen immunisaties:
gemiddeld vijftien per soldaat. Zij had de beschikking
over 3.355 hospitalen met bijna 200.000 bedden. Er werd
534 miljoen mark voor de medische hulp ingezameld, waar
nog voor 200 miljoen mark aan ingezameld materiaal
bijkwam.
Het Amerikaanse leger had in 1916 een aantal
van 443 medici en 146 reserves ter beschikking. Aan het
eind van de oorlog was dit aantal tot ongeveer 31.000
gestegen. Het Army Nurse Corps was gegroeid van 400 naar
21.500 verpleegsters. Hier moeten nog meer dan 200.000
mannen en vrouwen aan overig personeel bij opgeteld
worden.
Historicus Denis Winter zei over
dergelijke cijfers: ‘If the pain represented by these
figures could be similarly quantified, then it would be
beyond any man to comprehend such grief.’
Kennis en ervaring lieten te wensen over
Het leidt geen twijfel dat kennis en ervaring van al deze
artsen en verpleegkundigen te wensen overgelaten hebben.
Er staan een paar zeer bloederige voorbeelden van vermeld
in Henriette Riemanns ‘Schwester der vierten Armee’, een
opmerkelijk boek met onder meer de zelfmoord van een
soldaat en een zwanger geraakte verpleegster die abortus
laat plegen.
Deze onkunde is direct op de
oorlogssituatie terug te voeren. Ten eerste maakte die het
noodzakelijk de eisen terug te brengen – zowel voor de
rekruten, als voor hen die voor hen moesten zorgen - en
ten tweede was er voor scholing en nascholing nauwelijks
tijd, en was er vaak evenmin mogelijkheid toe.
Er is weliswaar geen reden om aan de
werklust van de gemiddelde arts en verpleegkundige te
twijfelen, maar al werkten zij allen zo hard ze konden, en
al werden de medische diensten nog zo groot, er moet
worden vastgesteld dat de medische zorg machteloos stond,
iets waarover verpleegster Ellen LaMotte, wier prachtige
en onthutsende ‘The Backwash of War’ onlangs in het
Nederlands is vertaald als ‘Het Kielzog van de Oorlog’ zei
dat ‘the science of healing stood baffled before the
science of destruction.’
Ten eerste bleef het
aantal artsen en verpleegkundigen te klein, voor de
behandeling van de lichamelijk en psychisch gewonde en
zieke soldaten. Bovendien: hoezeer men er ook in slaagde
percentages terug te dringen, de absolute aantallen
stegen, en zij stegen enorm.
Daarbij werd dan
misschien wel de strijd tegen oude doodsoorzaken gewonnen,
zij werden afgelost door nieuwe. De vuile en onherbergzame
omstandigheden van loopgraaf en slagveld leidden veelal
tot infectie van wonden, en dit terwijl antibiotica nog
niet bestonden.
 |
| Vervoer van een gewonde Brit
tijdens de Slag bij Ieper in 1917 |
Vervoer van de gewonden vanuit
het moerasachtige niemandsland naar de hulpposten nam soms
uren in beslag. Als de gewonden worden meegerekend die
niet door de brancardiers werden ontdekt, of wel werden
ontdekt maar niet werden meegenomen, of bij aankomst in de
eerste hulppost bleken te zijn overleden, dan blijkt dat
een gewonde Brit of Duitser niet een kans van één op
twaalf, maar slechts van een op zes ŕ zeven en een
Fransman zelfs maar van een op vier had, een verwonding
niet te overleven.
Het vaak genoemde
sterftepercentage van acht is een percentage van gewonden
die levend in de eerste hulppost arriveerden. Van de
gewonden op zich stierf maar liefst 15 ŕ 25 procent. En
hiermee kwamen de strijders aan het Westelijk Front er nog
goed vanaf. Aan het Oostelijk Front stierf van de
Russische en Servische gewonden meer dan 50 procent.
Overigens
steeg het aandeel mannen in de verpleegkundigen naarmate
het front dichterbij kwam. De Frontschwester, zoals
bezongen in het niet geheel toevallig uit 1936 stammende
‘Frontschwestern - Ein Deutsches Ehrenbuch’, is een mythe.
Zo kan bijvoorbeeld Riemanns boek als één lange, vergeefse
poging worden gelezen om zichzelf dichter aan het front
werkzaam te krijgen.
Het werk leidde tot enorme
vermoeidheid
Maar
front of basishospitaal of ergens daar tussenin: het werk
leidde bij de artsen, maar misschien nog wel meer bij de
verpleegkundigen, tot enorme vermoeidheid, ondanks dat
tijden van continue, afmattende activiteit werden
afgewisseld met tijden van mateloze verveling.
De
vermoeienis was immers niet alleen het gevolg van de
hoeveelheid, maar ook van de aard en de impact van het
werk. Het leidde bij velen tot een niet aflatend gevoel
van uitputting. Bij Jane De Launoy, verpleegster in
hospitaal L’Ocean in de Panne, dat toentertijd wel als de
hoofdstad van België gold, vormt de vermoeienis, zoals ook
het geval was in de oorlogsbrieven van de Canadese
verpleegster Frances Cluett, de rode draad in haar
dagboek.

Afgaand op een notitie in januari 1916
was de vermoeidheid nog groter dan die van de artsen.
De
verpleegsters moesten namelijk ‘onophoudelijk heen en weer
hollen, terwijl zij steeds ter plaatse blijven. Wij moeten
alles regelen, zij poetsen de plaat zodra hun
tussenkomsten beëindigd zijn.’
De vermoeidheid die
zij voelde was een vermoeidheid die niet met één keer goed
slapen of zelfs een paar weken rust, zou verdwijnen. ‘De
vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zo niet jaren
duren om opnieuw weerstand op te bouwen.
De vermoeienis en de beelden leidden
tot afstomping, een overigens noodzakelijk proces omdat
anders het werk niet kon worden volgehouden. K.E. Luard,
verpleegster van het British Red Cross, zag bij Ieper in
augustus 1917 velen sterven. Hun bedden werden meteen weer
gevuld.
| |
'One has got so used to their dying that it conveys
no impression beyond a vague sense of medical
failure. You forget entirely that they were once
civilians, that they were alive and well
yesterday… all you realize is that they are dead
soldiers, and that there are thousands like them…
Pretty beastly, isn’t it?' |
Bij sommigen echter wilden gewenning
en afstomping maar niet komen, ofschoon ze wisten dat die
eigenlijk levensnoodzakelijk waren. Helen Zenna Smith,
pseudoniem van Evadne Price, schreef in haar ‘Not so
Quiet’, dat gebaseerd was op het oorlogsdagboek van
ambulancechauffeur Winifred Young: ‘I whimpered like
a puppy…I couldn’t go on…I was a coward… I couldn’t face
those stretchers of moaning men again…men torn and
bleeding and raving’. En Enid Bagnold, schrijfster van
A Diary Without Dates, nuanceerde de noodzakelijkheid van de
gewenning met de opmerking dat het dan wel de toekijker,
en niet de stervende was, die vergiftigd was.
 |
| Enid Bagnold - A Diary Without
Dates |
In tegenstelling tot Bagnold was De
Launoy een professionele verpleegster die zich
bijvoorbeeld vreselijk kon opwinden over opmerkingen dat
verpleegsters alleen maar beminnelijk hoefden te zijn.
Beminnelijkheid alleen had nog nooit een leven gered. Maar
zelfs zij, en dat gold ook voor de nog meer geharde
militaire artsen en verpleegkundigen, zag dus beelden die
nauwelijks geestelijk te verwerken waren.
Het hospitaal liet pas echt zien wat
oorlog was
De
Launoy had eind 1916 in haar dagboek zelfs al een
voorschot genomen op Remarque’s ‘Im Westen nichts Neues’
toen zij schreef dat er zogenaamd niets nieuws was aan het
Belgisch front. Alleen maar ‘een grote buikoperatie:
kapotte milt, doorboorde maag en ingewanden… de man
begeeft op de operatietafel. Wat stelt een mensenleven
voor: “Niets te melden aan het Belgisch front!”’
Volgens Remarque liet het hospitaal pas echt zien wat
oorlog was en Ernst Jünger liet zich in eendere
bewoordingen uit. Cluett zal met hen hebben ingestemd:
'You can read about war, and the wounded, but when you are
brought face to face with it, I tell you, it is heart
rending. […] If this war does not soon end there won’t be
a man living on the face of the earth. It is brutal; it is
cold-blooded murder; it is hell upon earth.’
Het laat zich raden hoe moeilijk de
zich vrijwillig gemelde burgers zoals Bagnold of Vera
Brittain het moeten hebben gehad. Met name zij kregen
beelden te verwerken die ze voorheen hoogstens in
nachtmerries hadden gezien en waarbij met name de
gasslachtoffers, de gezichtsmismaakten en de neurotici
diepe indruk maakten, al wekten ook rheumatici en soldaten
met loopgraafvoet of gasgangreen diep medelijden op.
Verpleegster S. Millard verafschuwde
gas: ‘Gas burns must be agonizing because usually the
other cases do not complain even with the worst wounds but
gas cases are invariably beyond endurance and they cannot
help crying out.’
 |
|
Slachtoffer van gasaanval |
En De Launoy beschreef tijdens
het eindoffensief september 1918 een scčne die inhoudelijk
dicht bij Wilfred Owens befaamde gedicht Dulce et Decorum
staat: ‘De mannen liggen gekleed op bed, zonder adem,
blauw, woest en verwilderd, met krampachtige vuisten:
slachtoffers van gasaanvallen. Sommigen kunnen zich
onmogelijk stilhouden, anderen liggen neergeploft met
geopende arm waaruit we 400 gram bloed moeten laten
wegvloeien. […] Velen zullen blind blijven. […] Waarom
worden zij die oorlog willen en voorbereiden niet met de
wreedste folteringen tot de verstikkingsdood gebracht… zij
die er baat bij hebben anderen te vernietigen terwijl ze
zelf veilig zijn.’
Bij de verpleging van de
gezichtsmismaakten kwam daar nog een factor bij, zoals
orderly corporal Ward Muir uitlegde. ‘[The hospital
worker] finds that he must fraternise with his fellow-men
at whom he cannot look without the grievous risk of
betraying, by his expression, how awful is their
appearance. […] [The patient] is aware of just what he
looks like therefore you feel intensely that he is aware
you are aware, and that some unguarded glance of yours may
cause him hurt. This, then, is the patient at whom you are
afraid to gaze unflinchingly, not afraid for yourself but
afraid for him.’
 |
| Gezichtsverminking als gevolg
van oorlogsletsel |
‘Hideous’ was het enig mogelijke
woord dat Muir kende om deze verbrijzelde gezichten te
kunnen beschrijven. Hij had zich nooit kunnen voorstellen
wat lege, vochtige oogkassen, volledig kapotte of afwezige
kaakgewrichten en gedeeltelijk of geheel weggeschoten
neuzen met het uiterlijk van een mens deden, maar nu wist
hij het en zijn maag draaide er geregeld van om. Hij kon
zich dan ook weinig voorstellen bij hun terugkeer in de
maatschappij, ook niet van hen bij wie plastische
chirurgie tot enige verbetering had geleid, omdat
verbetering zich meer dan ooit een relatief begrip toonde.
Hulpverpleegster Claire Elise Tisdall
beschreef de aankomst van een trein met mental-cases.
‘There was nothing you could do and they were going to a
special place. They were terrible.’
Maar zeker bij de oorlogsneurotici
was medelijden niet de enige reactie. Ernst Toller
bijvoorbeeld kreeg ondanks dat hij een gedecoreerd soldaat
was, met geheel andere reacties te maken. Hij had, zoals
in Engeland bijvoorbeeld Siegfried Sassoon had gedaan,
tegen voortgang van de oorlog geprotesteerd. Het leverde
hem een krankzinnigheidsverklaring op mede omdat zijn uit
een oud Pruisisch geslacht stammende moeder niet kon
geloven dat haar zoon pacifist en socialist was geworden.
Hij moest dus wel gek zijn.
 |
| Afbeelding van een
oorlogsneuroticus |
Het werd bijna een
self-fulfilling prophecy ten eerste door de aanwezigheid
van echte gekken, maar zeker ook door de instelling van de
uiterst nationalistische artsen en verpleegkundigen. Toen
hij eens om een slaapmiddel vroeg, kreeg hij van de
verpleegster nul op zijn rekest. ‘Eerst het vaderland
verraden en dan om een slaapmiddeltje zeuren! Ik dacht het
niet!´.
Zoals ook met de afstomping het geval
was, was een daar direct mee samenhangende zekere hardheid
noodzakelijk, maar het relaas van Toller geeft aan dat die
in de hand werd gewerkt door de eerder genoemde voorrang
aan de militaire noodzaak. Zoals eerder gezegd was het
vooral de taak van de geneeskunde de gevechtskracht hoog
te houden.
'Gezond' was een ander woord voor klaar
om naar het front te gaan, of op zijn minst naar de
wapenfabriek, en zwaargewonden moesten maar hopen dat er
niet al te veel eventueel weer inzetbare lichtgewonden
waren. Het maakte dat de medische diensten er zeker niet
altijd goed opstonden.
Verpleging en seksualiteit
Zo werd de afkorting RAMC door de soldaten wel met ‘Rob
All My Comrades’ vertaald. Ook de verpleegsters werden
zeker niet altijd gezien en opgehemeld als heldhaftige
madonna’s, als hooggesloten, seksloze ‘roses of no man’s
land’, zoals het boek van Lyn MacDonald over de
WOI-verpleegsters heet. Zij werden ook beschimpt als
hoeren die eerder uit waren op het behagen van de arts dan
het verzorgen van de patiënt.
Niet voor niets
stond in de volgens de Oostenrijkse seksuoloog Hans Magnus
Hisrchfeld populairste uiting van fronterotiek, de door
Duitse soldaten opgestelde Feldpuffordnung, dat het in de
buurt van hospitalen met Rode-Kruiszusters niet nodig was
bordelen in te richten.
Het was een reputatie waarover iemand
als De Launoy zich mateloos kon opwinden, maar die toch
niet helemaal is af te doen als vuige laster of waanidee,
die meer zegt over de soldaten dan over de verpleegsters,
zoals ook haar eigen dagboek enkele malen liet zien.
Natuurlijk waren verpleegsters richting front
getrokken om zieken en gewonden te verplegen. Maar dat wil
niet zeggen dat aardsere, menselijkere motieven en wensen
niet ook een rol speelden zoals de zucht naar avontuur; de
wens op de voor hen enig mogelijke, vrouwelijke wijze ook
aan de oorlog deel te nemen en het vaderland te dienen,
en/of de zucht naar omgang met de naar het front
vertrokken mannen.
Die verpleegsters, opgegroeid
in een seksueel gezien niet al te frivole tijd, kregen die
mannen nu ineens te zien op een manier zoals de meesten
hen nog nooit hadden gezien. De plotselinge omgang met
massa’s naakte mannen riep zonder meer bij de totaal
onvoorbereide verpleegsters seksuele spanningen op, iets
wat bijvoorbeeld in Bagnolds Diary without Dates volkomen
duidelijk wordt.
En in omgekeerde zin zegt Mary
Borden, schrijfster van ‘The Forbidden Zone’, eigenlijk
hetzelfde als ze schrijft dat de mannen die ze verpleegde
nauwelijks nog mannen konden worden genoemd, ‘so why
should I be a woman?’
 |
| Mary Borden - The forbidden
zone |
Overigens had Borden geen
hoge pet op van de oorlogsgeneeskunde. Zij vergeleek het
verwonden, oplappen, terugsturen, verwonden, oplappen,
terugsturen, met het stoppen van sokken tot ze werkelijk
totaal op waren. Ook zij sprak over een
verpleegster die alleen in de gewonden als patiënt en niet
als man geďnteresseerd was, maar dat zij haar zo expliciet
naar voren haalde, bewijst eigenlijk dat het daarbij de
uitzondering betrof en niet de regel.
Dus is het,
ofschoon de bewoordingen weinig fijnzinnig waren en een
negatief normatieve lading hadden, dit in tegenstelling
tot wat iemand als Magnus Hirschfeld over seks en
verpleging schreef, geen wonder dat na de oorlog een deel
van die verpleegsters door de arts Emil Flusser, in diens
pacifistische ‘Krieg als Krankheit’, werd gekarakteriseerd
als ‘kleinburgerlijke meisjes en dames uit de hoogste
burgerlijke en aristocratische kringen’, die ‘flatteuse
verpleegsteruniformen droegen’ waardoor zij toegang kregen
tot de hospitalen. Dit omdat zij ‘bloed wilden zien en
naakte, door pijn gekwelde lijven’.
Ook Brittain kwam in haar
onvolprezen ‘Testament of Youth’ op deze kant van het
verpleegwerk te spreken. Zij had sinds haar vierde of
vijfde levensjaar nooit meer mannelijk naakt gezien, en
volwassen mannelijk naakt al helemaal nooit.
 |
| Vera
Brittain |
Ze had naar
eigen zeggen weliswaar nooit het bed met een van de
gewonde soldaten gedeeld, maar doordat van beide zijden de
verwachte nervositeit en schaamte uitbleven, had zij
verder in haar vier jaren als oorlogsverpleegster zo’n
beetje iedere intieme handeling met hen uitgevoerd, met
hen móeten uitvoeren, die maar denkbaar was. De
door persoonlijk verlies zeer hard getroffen Brittain was
de oorlog niet voor veel dingen dankbaar, maar wel
daarvoor dat hij haar had bevrijd van veel van de seksuele
remmingen die haar Victoriaanse opvoeding met zich had
meegebracht.
Het protest dat het beeld van een
vrijende verpleegster vaak oproept, de vaak emotionele
ontkenning dat dit beeld klopt, heeft dan ook minder te
maken met de daadwerkelijke afwezigheid ervan als wel met
de wens de verpleegster te ontvrouwelijken, de
verpleegster van haar seksualiteit te ontdoen en haar te
veranderen in een letterlijk onmenselijke en ook volstrekt
oninteressante heilige. In die zin hebben de ontkenners
meer gemeenschappelijk met de fulminerende soldaten of
iemand als Flusser, dan op het eerste gezicht lijkt.
Kritische houding tegenover curatieve
hulpverlening ten tijde van de oorlog
Het waren zaken als het plaatsen van de militaire boven de
medische noodzaak, de gruwelijke gezondheidsproblemen die
van de oorlog het gevolg waren, en de schier eindeloze en
zinloos lijkende curatieve inspanningen, die in de loop
van de strijd een aantal artsen en verpleegsters tot het
idee bracht dat zij meer in dienst stonden van Mars dan
van Hippocrates; meer de dood dienden dan het leven, en
dat strijd tot preventie van oorlog wellicht meer zoden
aan de dijk zou zetten dan curatieve hulpverlening ten
tijde van de oorlog.
Een deel daarvan ging zelfs
zover te veronderstellen dat het misschien beter was om de
gewenste hulp niet meer te verlenen. Was het op de lange
termijn niet verstandiger hulp te weigeren en zeker
verstandiger om niet meer aan de voorbereiding ervan mee
te werken?
 |
|
Meer in dienst van Mars
dan van Hippocrates |
Zo zou een steentje kunnen worden
bijgedragen aan de bestrijding van de oorzaak van al het
leed, de oorlog, in plaats van dat men door het telkens
weer oplappen van de zieken en gewonden, waarna ze weer
richting front moesten, die oorzaak juist in stand hield.
Zonder hulp zouden de soldaten niet wederom
inzetbaar kunnen worden; dan zouden de legers snel te
klein zijn om door te kunnen vechten; dan zou de oorlog
sneller afgelopen zijn; dan zouden de medici weliswaar
geen levens meer redden, maar dan zou het medische werk
ook niet meer tot verlenging van de strijd en daarmee tot
het verlies van levens leiden.
Die discussie speelde met name in het
Interbellum, maar was in de oorlog zelf, en wel medio
1918, al op gang gebracht door Jeanne van Lanschot
Hubrecht, lid van de radicale verpleegstersvakbond
Nosokómos, en goede vriendin van Aletta Jacobs.
De
aanleiding voor haar opmerkingen was een voorstel tot
burgerdienstplicht voor vrouwen bij het Rode Kruis,
analoog aan de militaire dienstplicht voor mannen. Zo
zouden ook alle vrouwen, en zeker de verpleegsters onder
hen, een steentje aan ’s lands weerbaarheid kunnen
bijdragen.
‘Wij weten hoe in de oorlogvoerende
landen de medische wetenschap alles in het werk stelt om
te trachten de mannen zoo snel mogelijk te repareeren met
het doel om … ze weer naar het front te zenden; en dat
herhaalt tot er een wrak of een lijk overblijft. Telkens
worden de mannen terug gestuurd om weer het moordend werk,
want anders kan ik het niet noemen, op zich te nemen. En
nu vraag ik u: wilt gij daartoe mede werken door
aanvaarding van den burger dienstplicht?’
In de ogen van Van Lanschot Hubrecht
zou massale medische werkweigering oorlogen verkorten en
nieuwe oorlogen mee helpen voorkomen. En daarmee zou
tevens meer leed worden voorkomen dan alle dokters en
verpleegsters ter wereld konden helen.
Zoals
gezegd zou haar standpunt, bijvoorbeeld als gevolg van de
oprichting in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis in 1930
van de Anti-Oorlogsgroep Verplegenden, navolging krijgen,
maar zelf zou zij geen kans meer krijgen het verder uit te
dragen. Van Lanschot Hubrecht, die voor het blad Nosokómos
de rubriek buitenland verzorgde en daardoor goed op de
hoogte was van het verloop van de strijd, zou op 2 oktober
1918, een goede maand voor het einde van de oorlog,
overlijden. Volgens een der meest vooraanstaande leden had
daarmee de vakbond Nosokómos haar ziel verloren.