terug naar Soldatenverzen


Aan 'n Landweerman, 
brief van z'n vrouw


M'n lieve Sander,
Nou de jongens slapen, -
Ze kunnen soms toch zoo rumoerig zijn.
Ze hebben k niet veel, die arme schapen
Schrijf ik je gauw een briefje, ventje-mij
Dat j'over ons gerust gerust kan wezen,
Hoewel 't niet van 'n leien dakje gaat.
Je moet m'n briefjes maar heel dikwijls lezen
Als je soms uren-lang op schildwacht staat.

Ik weet je denkt geheel niet aan je eigen
Als je 'nou kou en ongemak doorstaat,
Of soms het noodigste je niet kan krijgen
Als men je uren excerceeren laat.
Dat je bij ons steeds bent met je gedachten
En dat je pieken wat ons lot zal zijn
Als wij je nou nog langer moeten wachten
De weet 'et, dat doet je het meeste pijn.

M'n ou heer, die laat nie's van zich hooren
Die heeft de pee in da'k je heb getrouwd
Hij dacht: 'k was voor zoo'n kale niet geboren
Maar, vent, het heeft me nog geen uur berouwd
En 't Comit, daar ben ik bang voor, weetje,
'k Had anders daar m'n best wel voor gedaan
Maar onze meubels, en ons nieuwe kleedje
En die paar centen die op 't boekje staan

Je kleine Leida die is om te zoenen!
Och, man-ne-man, wat is dat kind een schat
En onze Lex loopt weer op stukke'schoenen
Maar heeft een vijf voor z'n dictee gehad.
Johan gaat aardig uit'et fransen vertalen.
't Klinkt zoo komiek als hij die woorden leest
Als je bedenkt, h, dat die generalen
Toch allemaal k kinderen zijn geweest.

Maar als 't gevaar voorbij is, lieve Sander,
Al heb ik maar een drooge boterham,
Nietwaar, dan gaan we nooit weer van elkander
ok Zou het besterven als dat weer e's kwam
Zeg, denk je dat 'et nou nog lang kan duren
Wat hebben ze toch aan die moordpartij
Nou schei 'k er uit... 'k ben moe... al twalefure
Een zoen... een zoen,.. en nog een,

dg je Lei

Herre de Vos, 23 Februari 1915


terug naar Soldatenverzen