naar homepage



Mythen en werkelijkheid in de
geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog 
door J.H.J. Andriessen

Tijdens de op 16 mei 2003 door de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog met medewerking van de Erasmus Universiteit te Rotterdam georganiseerde Studiedag Eerste Wereldoorlog, hield J.H.J. Andriessen, voorzitter van deze Stichting, een openingsrede die hieronder integraal is gepubliceerd. 


Inleiding 

In dit artikel wil ik trachten een lans te breken voor een wat kritischer benadering bij het bestuderen van de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Gedurende mijn studie naar de oorzaken van die oorlog ben ik op een groot aantal zaken gestuit die bij mij vraagtekens hebben doen ontstaan over de wijze waarop wij vandaag de dag die oorlog en de landen die daarbij een rol speelden, nog steeds beoordelen. Diverse invalshoeken, persoonlijke ervaring, inzichten, opvoeding en milieu, dat alles heeft zijn eigen inbreng en maakt dat men soms 180 graden verschillend over een bepaalde zaak kan denken. 

Het was de Britse historicus Timothey Carton die in een interview met het NRC Handelsblad (juni 1997) schreef dat de betekenis van feiten een zaak is van dispuut en interpretatie, dat juist die interpretatie continue verandert en dat objectiviteit in de geschiedschrijving in feite een onbereikbaar ideaal is. 'De waarheid is vaak subjectief' zo stelde Carton en dat is dan ook ťťn van de oorzaken dat historici het soms hartgrondig met elkaar oneens kunnen zijn over gebeurtenissen uit het verleden. 

De schuldvraag 
Toch wil ik in dit artikel een pleidooi houden om tot een heroriŽntatie te komen op het gebeuren dat we Eerste Wereldoorlog noemen en vooral, op de rol die de participerende landen daarin hebben gespeeld en dan met name de geallieerde landen.  'Zo vanzelfsprekend als men t.a.v. de Tweede Wereldoorlog kan stellen dat het nationaal socialisme hem ontketende, zo ingewikkeld ligt het vraagstuk voor wat betreft de Eerste Wereldoorlog. Weliswaar noemde de Duitse historicus Fritz Fischer de Duitse houding vůůr 1914 agressiever en nationalistischer en de Duitse oorlogsdoelen duidelijker dan die van de andere landen, zo schreef de Nederlandse historicus Dr. P.M. Luykx (1940) in het voortreffelijke boek 'Veranderende Grenzen 1815-1919': 'algemeen aanvaard zijn deze stellingen nimmer' en hij voegde daar aan toe: 'Wat het verdrag van Versailles over de schuldvraag vaststelde is in elk geval onjuist'. 

Met deze opmerking schaarde Luykx zich in een lange rij van hedendaagse historici die allen hun twijfel uitspraken over de juistheid van artikel 231 van het Verdrag van Versailles, dat Duitsland als enige schuld gaf van en verantwoordelijk achtte voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. 

Het was in de vijftiger jaren dat tijdens een bijeenkomst van internationale historici te Verdun, een gezamenlijke verklaring werd uitgegeven waarin gesteld werd dat het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog niet de schuld was van slechts ťťn land of ťťn bevolking, maar het gevolg van een complex van oorzaken en reacties. Een opzienbarende verklaring welke toentertijd echter maar weinig aandacht kreeg. De interesse in de Eerste Wereldoorlog en alles wat daar mee te maken had, was zo kort na de Tweede Wereldoorlog, natuurlijk ook nog niet zo groot. 

Inmiddels echter staat de oorlog van 14-18 weer midden in de belangstelling, ja de aandacht overtreft momenteel zelfs die voor de Tweede Wereldoorlog. Men zou derhalve verwachten dat men zou kunnen putten uit een scala van historische studies die de nieuwe meningen en standpunten beschrijven en verklaren. Niets is echter minder waar. In grote lijnen wordt bijvoorbeeld de rol die de aan de oorlog deelnemende landen vůůr 1914 speelden, nog steeds op welhaast de zelfde wijze geschetst als direct na 1918 het geval was. Het feit dat toegegeven werd dat Duitsland niet de enige schuldige aan de oorlog is geweest heeft nauwelijks of geen consequenties gehad voor de beschrijving van haar rol en die van de geallieerde landen in die dagen en dat mag toch wel verbazingwekkend genoemd worden. 

Als Duitsland dan niet schuldig was of niet alleen schuldig, wie was of waren dat dan wel? En wat moeten we dan aan met artikel 231 van het Verdrag van Versailles waarin Duitsland toen toch klip en klaar de volledige verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de oorlog werd aangezegd en waarop de op haar toegepaste strafmaatregelen waren gebaseerd. Indirect was het 'Verdrag van Versailles' en speciaal artikel 231, toch mede verantwoordelijk voor het ontstaan van het Duitse nationaal-socialisme en het nazi-regime? 

En waarom drongen de Duitsers zelf niet opnieuw op rehabilitatie aan? De 'Verklaring van Verdun' was toch een unieke kans om zich van een zeer belastend stuk verleden te ontdoen? Als Duitsland niet alleen schuldig was, was het dan niet noodzakelijk de verklaringen van de geallieerden over hun rol in dat drama nog eens opnieuw kritisch te bestuderen, nu vanuit de wetenschap dat die rol dan kennelijk niet zo onschuldig of in elk geval anders is geweest dan steeds is beweerd? Kortom, de 'Verklaring van Verdun' had feitelijk een enorme opschudding teweeg moeten brengen maar verrassend genoeg deed het dat niet. 

Opvallend is ook dat welhaast alle hedendaagse historici vlot erkennen dat men Duitsland niet meer als de alleen schuldige ziet maar het is nog veel opvallender dat de interesse om dan de juiste gang van zaken te onderzoeken, minimaal blijkt te zijn. Natuurlijk, in de twintiger jaren waren er historici van naam, die reeds toen op z'n minst hun grote twijfel over de geldigheid van artikel 231 uitspraken. 

De Amerikanen liepen daarbij voorop en bekende Amerikaanse historici als Sydney Fay, Barnes, Owen e.a. publiceerden indrukwekkend feitenmateriaal waarin ze het 'Verdrag' veroordeelden. Ook van Duitse zijde werd uiteraard een vloed van feiten aangedragen. De Weimar regering stelde zelfs een Parlementaire EnquÍtecommissie in die opdracht kreeg de schuldvraag te analyseren. Tenslotte waren daar dan ook nog publicaties van andere internationale schrijvers en historici die elk hun steentje bijdroegen aan de revisionistische gedachte. Hun stem echter werd niet gehoord, aan hun argumenten werd geen aandacht besteed, de tijd was er niet rijp voor en de pogingen om tot revisie van het 'Verdrag' te komen werkten, niet onbegrijpelijk, alleen maar averechts. 

Pas in de zestiger jaren kwam er weer wat meer belangstelling voor het onderwerp maar door de publicatie van 'Griff nach der Weltmacht' van Fritz Fischer, die de schuld en verantwoordelijkheid voor de Eerste Wereldoorlog weer voornamelijk bij Duitsland legde, ontstond er een enorme discussie tussen vůůr- en tegenstanders die echter niet leidde tot een eenduidig en duidelijk standpunt. 

Fischers publicatie maakte veel indruk en wellicht dienen we hier dan ook de oorzaak te zoeken van het geweldige historische manco dat thans, naar mijn bescheiden mening, nog steeds voor ons ligt, namelijk het feit dat de waarheid over de schuldvraag nog steeds niet boven tafel is gekomen. En ook dat is weer uiterst merkwaardig omdat er niet alleen grote kritiek mogelijk is op Fischers standpunten, maar vooral omdat er een overweldigende hoeveelheid nieuwe bronnen beschikbaar zijn gekomen die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Men zou denken dat de hedendaagse historicus welhaast tot herinterpretatie gedwongen wordt wil hij althans de consequenties trekken uit de 'verklaring van Verdun' en uit het nu toch wel algemeen erkende feit dat de stelling dat Duitsland de enige schuldige is geweest, niet houdbaar is gebleken. 

Niets is echter minder waar. Vandaag de dag, ruim 85 jaar na dato, blijkt dat de meningsvorming over dit onderwerp, met name ook op internationaal niveau, nog steeds tot hevige emotionele discussies leidt en wat nog opvallender is, die meningsvorming wordt nog steeds in zeer veel gevallen sterk beÔnvloed door de mythevorming die in de afgelopen 85 jaar heeft plaatsgevonden, niet alleen in landen als Groot-BrittanniŽ, maar ook in andere landen en zeker ook in Nederland. Maar zo schreef een Nederlandse auteur onlangs dat er in 1914 geen sprake is geweest van door politici gedekte militaire plannen voor een oorlog. Die plannen zouden er wel zijn geweest maar moesten dan gezien worden in het licht van het feit dat militairen nu eenmaal geacht worden oorlogsplannen te maken. 

Dat die plannen echter door de politici gedekt en aanvaard zouden zijn verwees hij naar het rijk der fabelen. Groot-BrittanniŽ zou voorts, volgens deze auteur altijd alleen maar de 'Balance of Power' hebben nagestreefd en zich uitsluitend verzet hebben tegen diegene die deze balance of power trachtte te verstoren. Dat is duidelijk weer een kwestie van interpretatie want de facto was er natuurlijk geen sprake van een 'balans' tenzij men aanvaard dat die balans altijd heel duidelijk in het voordeel van Groot-BrittanniŽ moest doorslaan. 

Een andere, eveneens bekende Nederlandse auteur schreef onlangs nog dat er bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geen sprake was geweest van twee duidelijk afgebakende allianties, door verdragsverplichtingen aan elkaar geklonken die tegenover elkaar stonden. Hij stelde voorts dat: 'in tegenstelling tot de legende die daarover na de oorlog in omloop kwam, mobilisatie in die tijd zeker nog niet betekende dat de oorlog moest uitbreken'. Nu is dat natuurlijk allemaal niet zo wereldschokkend maar het toont wel aan dat de kennis in Nederland over de Eerste Wereldoorlog, nog steeds achter blijft bij de feiten. 

Erger wordt het echter als historici uit de landen die actief deelnamen aan de Eerste Wereldoorlog, en dan met name Frankrijk, de U.S.A. en Groot-BrittanniŽ, zich nog steeds bij het beschrijven van dit tijdvak, blijven bedienen van mythen die de werkelijkheid verdringen en een onjuist beeld geven van wat zich destijds werkelijk heeft afgespeeld. Erger, omdat zij het voornaamste referentiekader vormen voor na hen komende historische onderzoekers waardoor het eigenlijke wetenschappelijke onderzoek en de eigen wetenschappelijke interpretatie helaas al te vaak naar de achtergrond schuift. Maar genoeg gepraat zult u zeggen. Waar hebben we het over, welke mythen worden dan bedoeld en op welke wijze beÔnvloeden of hebben ze de geschiedschrijving dan wel beÔnvloed? 

Mythen 
Ik zal dan nu, volstrekt willekeurig, een paar van die met hand en tand verdedigde en als historische FEITEN verkochte mythen en beweringen voor u opsommen, beweringen, die naar mijn bescheiden mening zeker in aanmerking zouden moeten komen om toch nog eens naast de maatlat van de geschiedenis op hun juistheid onderzocht te worden. Die beweringen zijn dan: 

1) De bewering dat Engeland de oorlog inging omdat het hiertoe volgens het verdrag van 1839 verplicht zou zijn geweest. Belangrijk omdat als die bewering onjuist was, de legale basis voor de Britse oorlogsverklaring ontbrak. 

2) De bewering dat het Duitse vlootbouwprogramma van Tirpitz een werkelijke en directe bedreiging voor Engeland vormde en de bewering dat de Britse pogingen een eind aan de marinewapenwedloop te maken door Wilhelm II getorpedeerd werden. Belangrijk omdat daarmede gesuggereerd werd dat er dus een Duitse militaire dreiging voor Groot-BrittanniŽ bestond die uiteindelijk tot oorlog moest leiden. 

3) De bewering dat toentertijd het begrip mobilisatie bij de grootmachten niet als definitieve oorlogsdaad beschouwd mocht worden.  Belangrijk omdat als dat wel zo was, dan de grootmacht die het eerst zou mobiliseren, dus vůůr oorlog koos en dus minstens medeschuldig zou zijn aan het uitbreken daarvan. 

4) De bewering dat de Servische regering in 1914 niet op de hoogte is geweest van de voorbereidingen voor de aanslag op de Oostenrijkse aartshertog. Belangrijk omdat als dat inderdaad het geval is geweest, er geen direct legale reden was voor de Oostenrijk-Hongaarse aanval op ServiŽ. 

5) De mythe van de betrouwbaarheid van de Britse geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog en dan natuurlijk de mythevorming over de strijd zelf en niet te vergeten, de fantastische verhalen over de Duitse keizer. Alleen over de mythevorming rond deze man is een dik boek vol te schrijven. 

Ik kan zo nog enige tijd doorgaan maar de tijd ontbreekt daartoe. Ik hou het dus kort en ga slechts op enkele van de hiervoor genoemde beweringen of beter 'mythen' wat dieper in. Ik zal proberen de in mijn ogen meest significante er voor u uit te halen. 

1) 'Poor little Belgium' 
Als eerste neem ik dan de verklaring dat Groot-BrittanniŽ de oorlog inging in 1914, omdat, en ik citeer hier nu de Britse minister van Buitenlandse zaken, Edward Grey, 'onze eer als natie in deze oorlog op het spel staat omdat we volgens het verdrag van 1839 (het neutraliteitsverdrag met BelgiŽ) de verplichting op ons hebben genomen de onafhankelijkheid, vrijheid en integriteit van het kleine en vreedzame BelgiŽ te helpen 'verdedigen'. Duidelijk genoeg dus? Waar zit dan de mythe? 

Het z.g. Belgische verdrag van 1839, noch enig ander verdrag, verplichtte Groot-BrittanniŽ, noch enig ander land om de neutraliteit van BelgiŽ gewapenderhand te verdedigen. De verplichting hield uitsluitend de belofte in dat de ondertekenaars BelgiŽ als neutraal zouden beschouwen, dus BelgiŽ niet zouden aanvallen noch bezetten en BelgiŽ zelf diende voor eeuwig neutraal te blijven. Van een verplichting om BelgiŽ te komen verdedigen was echter geen sprake zoals ook wel bleek uit het feit dat bij het uitbreken van de Frans-Pruisische oorlog van 1870-71, toen Engeland bevreesd was dat een van beide oorlogvoerenden BelgiŽ zou gaan bezetten, ze 'VOOR DE DUUR VAN DIE OORLOG' aparte verdragen sloot met Pruisen en Frankrijk waarin werd vastgelegd dat die landen BelgiŽ niet zouden aanvallen op straffe van onmiddellijke Britse gewapende interventie. 

Zo'n apart verdrag was er echter niet in 1914 en de door Grey genoemde reden dat Engeland verplicht zou zijn om aan de oorlog te gaan deelnemen, was dan ook een fake-reden uitsluitend bedoeld om collegae, parlement en volk de indruk te geven dat Groot-BrittanniŽ geen keus had en de facto een eervolle daad verrichtte en met opgeheven hoofd de oorlog inging ter bescherming van dat dappere, onschuldige kleine landje aan de overkant van het Kanaal. 

De werkelijke motieven van Engeland om aan de oorlog te gaan deelnemen waren geheel andere en moeten o.a. gezocht worden in de grote economische tegenstellingen tussen Engeland en Duitsland. Grey voerde een geheime buitenlandse politiek, en maakte buiten regering en parlement om verbale afspraken met Frankrijk en Rusland, afspraken die Groot-BrittanniŽ in feite, toen de oorlog uitbrak, moreel verplichtten om aan de zijde van Frankrijk en Rusland tegen Duitsland in het veld te treden. 
Overigens, waarom heeft geen enkele Nederlandse historicus zich ooit afgevraagd waarom, als die door Groot-BrittanniŽ genoemde verplichting tot het gewapenderhand verdedigen van BelgiŽ inderdaad uit het ook door Nederland ondertekende verdrag van 1839 voortvloeide, diezelfde verplichting om BelgiŽ ter hulp te snellen, dan ook niet voor Nederland zou hebben gegolden? En waarom eisten de andere ondertekenaars dat dan ook niet van Nederland? 

Deze feiten zijn genoegzaam bekend, toch komt men het argument van deze 'fake' verplichting nog steeds tegen, ook in de allerlaatste literatuur over de ontstaansgeschiedenis om aan te tonen dat Groot-BrittanniŽ gewoon geen keus zou hebben gehad en wel aan de oorlog moest gaan deelnemen. Dat was dus niet het geval. 

2) Het Duitse vlootbouwprogramma 
Ik doel dan op die volgens algemene mening met agressieve bedoelingen genomen politieke beslissing van Duitsland om een vloot te bouwen die, daar bestond geen twijfel aan, duidelijk gericht was op Weltmacht en een bedreiging voor Groot-BrittanniŽ. Ja, voor het voortbestaan van Groot-BrittanniŽ als natie, zou betekenen, dat was toch vragen om ellende? Voor Groot-BrittanniŽ was het hebben van een sterke vloot immers van vitaal belang, Duitsland had zo'n oorlogsvloot toch helemaal niet nodig tenzij het kwade bedoelingen in de zin had. Daar komt nog bij, dat het toch Engeland was dat z'n minister van oorlog Haldane in 1912 naar Duitsland stuurde om te proberen die marinewedloop in goede banen te leiden? En werden deze marinebesprekingen niet door Wilhelm II en Tirpitz getorpedeerd zodat Haldane onverrichte zaken naar Engeland moest terugkeren? 

Ook hier dames en heren is de werkelijke gang van zaken een andere geweest dan de zojuist hiervoor geschetste. Ik citeer dan voornoemde minister van Oorlog Haldane zelf, die alvorens hij naar Londen terugkeerde na zijn besprekingen in Duitsland, schreef: 'Ik ging niet naar Berlijn met een mandaat om een verdrag te sluiten, daar is meer voor nodig, maar ik ging er heen om na te gaan of zo'n verdrag tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. Hoe de regering uiteindelijk zal reageren, vooral met het oog op de publieke opinie, staat nog te bezien, maar mijn pogingen tot op dit moment verlopen oneindig succesvoller dan ik had voorzien en verwacht'. 

Ook de verwachtingen bij Wilhelm II en de Rijkskanselier waren na de gesprekken hoog gespannen, men had aan beide zijden forse concessies gedaan. Het was echter niet Wilhelm ll maar de Britse minister van Buitenlandse Zaken Grey, die de besprekingen liet mislukken omdat hij vreesde dat zo'n marineovereenkomst de goede verstandhouding met Frankrijk mogelijk negatief zou beÔnvloeden. Laten we nu ook nog eens bekijken of de Britse bewering dat het Duitse vlootbouwplan een acute bedreiging vormde voor de Britse staat wel zo hard was als altijd wordt beweerd. 

Welnu, dit vlootbouwprogramma is nimmer een echte bedreiging geweest. Dit werd expliciet door Churchill toegegeven toen hij in 1909 het rapport van de Britse admiraliteit daarover van de kaart veegde en vaststelde dat die bewering:' het resultaat was van een smerige, leugenachtige paniekzaaierij, opgevoerd door de Conservatieven als onderdeel van een sensationele, agressieve en extreem onbetrouwbare politiek' en zo ging hij verder: 'het Duitse vlootbouwprogramma brengt de Britse nationale veiligheid op geen enkele manier in gevaar'. U kunt het nog eens nalezen in zijn boek 'World Crisis'. Het was dezelfde Churchill die begin 1914 zelfs vaststelde dat 'naval rivalty had ceased to be a cause of friction' en de minister president Asquith bevestigde dat later toen hij schreef dat: 'the competition in naval expenditure was not in itself a likely source of immediate danger'. 

Een jaar eerder nog schreef de krant 'The Nation' dat: 'het was duidelijk dat de Britse regering zelf een grote fout had gemaakt door de Naval Bill niet te verkleinen omdat het onwaarschijnlijk was dat Duitsland dan haar vlootbouwprogramma zou hebben voortgezet. Kortom, het viel nogal mee met die Duitse bedreiging van de Britse suprematie ter zee. Bestudering van de feiten toont aan dat de Britten hun argumenten absoluut niet hard hebben kunnen maken hetgeen ook wel is gebleken want Lloyd George, schreef later in zijn memoires dat men vlak voor het uitbreken van de oorlog nog berekend had dat, zelfs als Groot-BrittanniŽ zelf geen enkel extra schip zou hebben gebouwd en de Duitsers hun programma normaal hadden uitgevoerd, de Britse vloot nog tot eind 1917 een absoluut overwicht op de Duitse vloot zou hebben gehad. 

De stelling derhalve dat de Britten wel moesten reageren op het Duitse vlootprogramma omdat dit programma een directe bedreiging voor Groot-BrittanniŽ vormde en uitsluitend was opgezet om wereldmacht te veroveren (ook die laatste stelling is in feite ook alweer onjuist) is altijd wel comfortabel aangenomen maar in werkelijkheid berust ze op een na de oorlog ontstane mythe zoals ook de bewering dat Duitsland bewust de pogingen van Groot-BrittanniŽ om tot een vermindering van de marinewapenwedloop te komen heeft gesaboteerd, bewijsbaar onjuist is en op een mythe berust. 

3) Mobilisatie 
Ik neem u dan vervolgens mee naar nog zo'n gefabriceerd 'historisch feit' namelijk de stelling dat in 1914 mobilisatie niet gelijk mocht worden gesteld aan een definitieve oorlogsdaad. …ťn der belangrijkste punten die bij de beoordeling van de schuldvraag van de Eerste Wereldoorlog in beschouwing dient te worden genomen is de vraag of in 1914 mobilisatie van een der Grootmachten, beschouwd moest worden gelijk te staan aan de feitelijk oorlogsdaad. Die vraag is daarom zo belangrijk omdat, als ze bevestigend beantwoord moet worden en indien deze gedachte gemeengoed was in die tijd onder de Grootmachten, dan degene die het eerst mobiliseerde in het conflict, ook degene zou zijn die voor een belangrijk deel medeverantwoordelijk was voor het uitbreken van de oorlog. Zoals we weten, was Rusland de eerste van de Grootmachten die de algemene mobilisatie uitriep op 30 juli 1914. 

Ik citeer dan uit de notulen van de besprekingen over de vorming van een geheim militair verdrag tussen Frankrijk en Rusland uit 1891. 'Generaal Obruchev vatte de noodzaak samen van de onmiddellijke en voortgaande mobilisatie van de Russische en Franse legers, zodra het bericht zou worden ontvangen dat de strijdkrachten van ťťn van de Triple Alliantie landen, (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije of ItaliŽ) mobiliseerde. Hij stelde dat alsdan de mobilisatie van de eigen strijdkrachten onmiddellijk moest worden gevolgd door oorlogshandelingen en dat zo'n mobilisatie niet meer gezien mocht worden als een vredeshandeling maar integendeel, als de meest beslissende daad tot oorlog'. 

Dat mobilisatie van een der grote mogendheden in die periode gelijk stond aan oorlog was een algemeen aanvaard begrip. Ook de Nederlandse opperbevelhebber, generaal Snijders ging van die gedachte uit. Hij schreef in zijn boek 'De mobilisatie bij de Grote Mogendheden in 1914': 'Algemeen heeft het denkbeeld gegolden dat als de regering van een grote mogendheid de algehele mobilisatie afkondigt, dit oorlog betekent'. Als men dat in Nederland toen al dacht, is het dan gek dat die gedachte ook in Duitsland leefde? 

De stelling dat in 1914 de mobilisatie van een der grote mogendheden nog niet automatisch oorlog betekende berust dan ook op een mythe. Zowel Rusland als Frankrijk hadden reeds jaren van te voren per verdrag vastgelegd, dat zodra ze zouden besluiten tot mobilisatie, zij zich tegelijkertijd verplichtten tot het onmiddellijk overgaan op oorlogshandelingen, mobilisatie was dus de meest beslissende daad tot het starten van de oorlog. 

Bij deze vaststelling dient te worden gekeken naar de positie van Duitsland. Zoals we weten stelde ze Rusland een ultimatum om haar mobilisatie onmiddellijk te beŽindigen omdat ze anders gedwongen werd zelf ook te gaan mobiliseren en ook in Duitsland betekende mobilisatie de meest beslissende daad tot het openen van oorlogshandelingen. Zoals we ook weten, weigerde Rusland op dat ultimatum in te gaan, ze erkende zelfs dat die mobilisatie al vijf dagen aan de gang was, daarmede Duitsland geen keus meer latende en dus maakte Rusland een definitieve keuze voor oorlog. 

Men kan zich natuurlijk nog afvragen of Duitsland dan inderdaad geen keus heeft gehad? De Nederlandse luitenant-generaal b.d. W. Loos, zegt daarover in zijn voorwoord bij het boek 'De Andere Waarheid':  'Het Duitse operatieplan was gebaseerd op de voor Duitsland ongunstige numerieke krachtsverhouding en de Duitse strategische positie op de 'binnenlijnen''. D.w.z. gelegen tussen twee sterke tegenstanders. In een dergelijke situatie moet men hoe dan ook trachten een twee-fronten oorlog te voorkomen. De tegenstanders moeten partieel verslagen worden. Dat vereist razendsnel handelen. Een land op de binnenlijnen kan niet wachten tot de tegenstanders gelijktijdig in beweging komen. Vaak is een land op de binnenlijnen zelfs gedwongen een verrassingsaanval op een van de tegenstanders uit te voeren teneinde verplettering door de landen op de 'buitenlijnen' te voorkomen. En de generaal verwees daarbij naar het optreden van IsraŽl in 1956 en 1967. 

Het is duidelijk, toen Rusland ging mobiliseren nam ze heel bewust het risico tot oorlog, sterker nog, ze maakte de oorlog daarmede definitief en onvermijdelijk en ze deed dat in de volle wetenschap dat Duitsland daardoor, volgens de inzichten van die tijd, gedwongen werd om tot een preventieve aanval over te gaan en aldus geschiedde. De bewering dus dat in 1914 de mobilisatie van Rusland geen definitieve oorlogsdaad was en zo'n oorlog derhalve nog niet onvermijdelijk werd, moet dan ook duidelijk en zonder enige twijfel worden verworpen en is absoluut niet houdbaar. 

4) De Servische Regering en de aanslag op Franz Ferdinand
Er zijn nog veel meer beweringen als vaststaande feiten naar voren gebracht. Bijvoorbeeld over de Servische regering en de aanslag op de Oostenrijk-Hongaarse aartshertog Franz Ferdinand: de aanslag die uiteindelijk de wereldoorlog tot gevolg kreeg. Recent nog schreef een Nederlandse auteur dat: 'overigens nooit is aangetoond of zelfs maar aannemelijk gemaakt dat de Servische regering van te voren wist van de moordaanslag'. Zo'n bewering is daarom van belang omdat ze suggereert dat Oostenrijk-Hongarije deze beschuldiging slechts heeft gebruikt als pretext om een oorlog tegen ServiŽ te beginnen terwijl in werkelijkheid de Servische regering geheel onschuldig zou zijn geweest. 

Ook deze bewering berust op een achterhaalde visie en komt niet overeen met de werkelijkheid. De Servische regering was wel degelijk op de hoogte van het complot en men deed niets om het tegen te houden. Wat was namelijk het geval? 

Tien jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog schreef dr. Ljuba Javanovic, ten tijde van de moordaanslag Minister van Educatie onder Pasic, een essay in het blad 'Krv Sloventstka'. Hierin merkte hij op: 'Ik herinner mij dat op een dag, ergens begin juni, Pasic ons mededeelde dat bepaalde leden van de terroristische beweging 'De Zwarte Hand', op weg waren naar Sarajevo om Franz Ferdinand te vermoorden, die daar op St. Vitusdag ontvangen zou worden. Hoewel ik dus wist wat men daar aan het voorbereiden was, kreeg ik, toen ik het nieuws van de moord vernam, een enorme schok, De meest vreselijke gedachten kwamen in mij op en het gehele weekend werd ik door angst voor de consequenties geplaagd. Op maandagochtend kreeg ik echter bezoek van majoor Nasic. Ik bestookte hem met mijn angstige voorgevoelens maar hij antwoordde op rustige en opgewekte toon: 'mijn beste minister, het is niet nodig om zo wanhopig te zijn. Laat Oostenrijk ons maar aanvallen, dat zou vroeg of laat toch gebeurd zijn. Als Oostenrijk nu de keus maakt, wel, het zij zo. 't Kan mogelijk slecht voor ons aflopen, maar wie weet, het zou ook wel eens anders kunnen zijn'. Deze woorden, die suggereerden dat Servische militaire kringen de situatie niet zo zwaar inzagen en zich kennelijk zeker voelden van Russische hulp, brachten me weer tot bezinning en ik was gelukkig, later te kunnen constateren dat de officiŽle Russische persberichten positief waren en ons verdedigden tegen de Oostenrijk-Hongarije beschuldigingen'. 

Uit deze verklaring blijkt duidelijk dat de Servische minister-president Pasic wel degelijk van de aanslagplannen wist en deze wetenschap met zijn ministers deelde. Er is nog meer bewijs dat hij op de hoogte is geweest. Hij had een informant binnen genoemde geheime organisatie de 'Zwarte Hand' die hem van alles wat daar omging nauwgezet op de hoogte hield. Het was een van zijn medewerkers, Milan Ciganovic, die bij de 'Zwarte Hand' werd ingeschreven als lid nr. 412 en het was ook deze Ciganovic die, samen met de Majoor Tankosic, de browningpistolen, het vergif en de bommen aan de drie jeugdige moordenaars verstrekte. Hij was ook degene die in 1917, toen duidelijk werd dat Rusland de oorlog zou gaan verliezen, optrad als getuige tegen de inmiddels gearresteerde kolonel Dimitrijevic, het hoofd van de 'Zwarte Hand'. De kolonel werd al spoedig daarna geŽxecuteerd, zogenaamd in verband met een door hem georganiseerde samenzwering tegen kroonprins Alexander, maar naar later aangenomen werd, omdat hij de waarheid wist over de moord op Franz Ferdinand. 

Tenslotte. De bekende voorvechter voor een onafhankelijk ServiŽ, Seton Watson, stelde alles in het werk om een ontkenning van de minister president Pasic op de verklaring van Javanovic los te krijgen en reisde daartoe onmiddellijk naar Belgrado. Hij kreeg die ontkenning niet maar hem werd wel hem beloofd dat de Servische regering een blauwboek zou uitgeven over deze zaak. Dat blauwboek is echter tot op de dag van vandaag nimmer verschenen De bewering dat nooit werd aangetoond dat de Servische regering op de hoogte zou zijn geweest van de plannen van de samenzweerders, lijkt dan ook niet op feiten te berusten. Ze is achterhaald zoals de documenten ons leren en het artikel van Javanovic ook duidelijk lijkt aan te tonen. 

5) De Britse geschiedschrijving 
Er moet toch een reden zijn waarom zoveel historische onjuistheden en mythen zo'n hardnekkig leven lijden en steeds maar worden herhaald. Ik geef een voorbeeld: 
Een aantal auteurs hebben zich bij het vastleggen van hun visie, mede gebaseerd op publicaties zoals samengesteld door brigade generaal Edmonds, officieel door de Britse regering aangesteld om de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog te schrijven, onze Louis de Jong dus. Elke zichzelf respecterende historicus, zeker in de periode vlak na de Eerste Wereldoorlog heeft Edmonds wel als bron in zijn index opgenomen en ook vandaag de dag wordt hij nog regelmatig aangehaald. Zijn invloed op de Britse geschiedschrijving was bijzonder groot en is dan ook niet zonder gevolgen gebleven. 

Wat was het geval? Reeds in 1915 besloot de Britse regering tot het laten vastleggen van de geschiedenis van de oorlog en benoemde daartoe twee historici die elk afzonderlijk van elkaar een project toegewezen kregen. Het eerste project behelsde het schrijven van een populaire versie van de geschiedenis van de oorlog met als hoofddoel het ontzenuwen en tegengaan van allerlei geruchten. De versie moest in patriottische stijl geschreven worden en voorzien van veel fotomateriaal. De bibliothecaris van de Koninklijke bibliotheek Sir John Fortescue kreeg de opdracht zich van deze taak te kwijten. 

De tweede opdracht, het schrijven van een meer gedetailleerde studie door een eerste klas militair expert, ging naar Brigade Generaal Edmonds. In verband met de gevoeligheid van het onderwerp werd zijn studie geclassificeerd en zou pas na 40 jaar na gereedkomen openbaar mogen worden. 

Het eerste deel van de populaire versie verscheen reeds in december 1918 en de Britse regering schrok enorm want Sir Fortescue nam geen blad voor de mond. Zo schreef hij dat de Britse regering de oorlog had kunnen voorkomen, dat generaal Haig in paniek was geraakt bij Mons en Smith Dorien in de steek had gelaten tijdens de gevechten bij Le Cateau en dat maarschalk French als opperbevelhebber een volstrekte failure was geweest. 

Dat was natuurlijk nooit de bedoeling geweest en de regering haastte zich dan ook Fortescue van zijn taak te ontheffen en het project werd daarna bij Edmunds ondergebracht. Die had niet veel tijd nodig om te beslissen de hele populaire versie maar overboord te zetten en dit project te schrappen. De officiŽle Britse geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog was daarmede in handen van slechts ťťn man gekomen, brigade generaal Edmonds en deze was vast voornemens om met zijn geschriften een voor Groot-BrittanniŽ zo gunstig mogelijk beeld te schetsen. 

Hij gaf zijn medewerkers opdracht om kritische of controversiŽle zaken te mijden en zich uitsluitend bezig te houden met de officiŽle dispatches die in de loop der jaren door de autoriteiten waren uitgegeven. Voorts vaardigde hij de richtlijn uit dat in het toekomstige werk de beslissingen van Haig en andere Britse generaals ondersteund moesten worden en toen, in 1928, Haig stierf, schreef Edmonds zijn weduwe dat zij zich geen zorgen behoefde te maken over Haig's image want dat hij de geschiedenis van Haig's commando zou schrijven ik citeer: 'geheel overeenkomstig en in overeenstemming met Haig's eerder geuite wensen terzake'.  Tot zover over de objectiviteit van Edmonds zelf. 

Maar ook de opeenvolgende regeringen blijken zich terdege te hebben bemoeid met zijn geschiedschrijving. Zo was er een instructie waarin gesteld werd dat Edmonds de: 'pittoreske en misleidende impressies die Churchill heeft gegeven in zijn boek 'World Crisis' over de ondenkbare stupiditeit van het British High Command, diende tegen te spreken (en hij deed dat) en dat hij de verantwoordelijkheid voor de fatale aanval bij de Somme bij maarschalk Joffre moest leggen en ook dit heeft Edmonds opgevolgd terwijl hij wist dat dit een grote onwaarheid was. 

Maar ook op ander gebied volgde Edmonds de instructies van hogerhand gedwee op. Zo kreeg hij van het ministerie van buitenlandse zaken de opdracht om redenen van politieke aard, de positie van generaal Hamilton zo gunstig mogelijk voor te stellen omdat deze veel Franse en Dominion troepen onder z'n commando had gehad. 

In 1931 kreeg hij de opdracht om de positie van de Turkse officier Kemal, die een divisie commandeerde tijdens de strijd te Gallipoli, te 'upgraden'. De Britse regering wilde de verhouding met Turkije weer verbeteren en bij Ataturk een goede indruk maken. Ze achtte het daarom wenselijk zijn rol in de oorlog belangrijker te maken dan ze in werkelijkheid was geweest. En zo kon het gebeuren dat in bijna elke publicatie over de strijd bij Gallipoli, de rol van de toen nog vrij onbelangrijke junior commandant Kemal, veranderde in die van een held die een beslissende rol had gespeeld voor de Turken in de oorlog om het schiereiland. Uit de stukken werd voorts duidelijk dat er grote druk werd uitgeoefend op Britse generaals die hun memoires schreven na de oorlog, om afwijkende meningen van de officiŽle versie, te verwijderen of te veranderen. 

Tot slot 
Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt dat op z'n minst grote vraagtekens gezet dienen te worden bij de betrouwbaarheid van deze officiŽle Britse geschiedenis en dat de vele publicaties van Edmonds mede verantwoordelijk moet worden gesteld voor de vele mythes en de continuatie daarvan; mythes die vandaag de dag het juiste beeld over de werkelijke gang van zaken nog steeds ernstig vertroebelen. 

Ik hoop voorts te hebben kunnen aantonen dat er op z'n minst een gezond wantrouwen dient te bestaan t.a.v. de geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog en met name die van Britse origine. Omdat die geschiedschrijving weer als bron heeft gediend voor historici van andere nationaliteiten lijkt de conclusie gewettigd dat er goede redenen te over zijn om de hele geschiedschrijving over deze periode toch nog eens aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. 


Over de auteur: Hans Andriessen is historisch publicist en Eerste Wereldoorlog specialist. Hij schreef eerder ĎDe Andere Waarheidí, een nieuwe visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Verder maakte hij, samen met fotograaf Sjoerd Dagniaux, het boek ĎVerdun, verdwijnende getuigení dat reeds na een maand een tweede druk beleefde. Hij schreef ook 'De Eerste Wereldoorlog in foto's'.  Hiervan zijn in totaal meer dan 60.000 exemplaren verkocht waarvan in Nederland en BelgiŽ samen 28.000! 

Hans Andriessen is voorzitter van het SSEW (Studiecentrum Eerste Wereldoorlog) in Nederland, redacteur van het jaarboek ĎDe Grote Oorlog - kroniek 1914-1918í en geeft regelmatig lezingen in binnen- en buitenland over onderwerpen die met de Eerste Wereldoorlog verband houden. Zijn nieuwste boek 'De Mythe van 1918 - de werkelijkheid over de laatste honderd dagen van de Eerste Wereldoorlog' is onlangs verschenen. (Voor meer informatie over de boeken klik hier)


   naar homepage