vorige hoofdstuk | inhoudsopgave | volgende hoofdstuk

Van bewegingsoorlog naar stellingenoorlog

Tot 1914 was men in het leger gewend de tegenstander die een stelling had ingenomen, in tirailleurslinie (de aanvallers naast elkaar lopend, meer of minder breed verspreid) te benaderen. De vuurkracht van de legers was in de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog echter enorm toegenomen. Zware artillerie en veldgeschut en vooral het gebruik van mitrailleurs was hiervan de oorzaak. 

Al in de eerste maanden van de oorlog bleek dat de rechtstreekse frontale stormaanval in tirailleurslinie door deze grote vuurkracht voor beide partijen tot onaanvaardbaar grote verliezen leidde. Al snel was de les geleerd dat verdedigen minder slachtoffers eiste dan aanvallen. Om niet volledig weggevaagd te worden bleef er niets anders over dan dat de troepen zich tijdens of voorafgaand aan de gevechten ingroeven. Dit ingraven betekende het einde van de bewegingsoorlog en het einde van de hoop dat de oorlog kort zou duren. 

Ingraven betekende in een offensieve situatie het graven van een ondiepe schuttersput waardoor een liggende schutter beschermd werd tegen het vlakke geweervuur. De volgende stap was het dieper uitgraven van de schuttersput waardoor ook bescherming ontstond tegen rondvliegende scherven van artilleriegranaten. Zo ontstond de schuttersput voor een staande schutter met een diepte van ongeveer 1,50 m beneden de vuurlijn (dat wil zeggen de top van de borstwering). Een dikte van ongeveer l m voor de borstwering was voldoende voor de opvang van geweerkogels en granaatscherven. In de daarop volgende fase werden de schuttersputten onderling verbonden en verder uitgediept. Hieruit ontstond de loopgraaf. 

duitse loopgraaf in 1914 - klik hier voor vergroting Stafkaart, BelgiŽ, sheet 12 SW edition 1.A., scale 1/20.000, 07-05-1917 - klik hier voor vergroting van deze stafkaart

De uitgegraven grond werd gebruikt voor het versterken van de borstwering ook wel genoemd de parapet en voor het opwerpen van de parados: de rugdekking aan de achterzijde van de loopgraaf die diende als bescherming tegen de scherfwerking van artilleriegranaten die achter de loopgraven terecht kwamen. Uiteraard werd in een defensieve situatie, wanneer er tijd genoeg was voor de aanleg van een verdedigingslinie, de fase van de schuttersput overgeslagen en werden er onmiddellijk (enkelvoudige) loopgraven gegraven.

De aanleg van dit soort veldversterkingen werd beschouwd als een aanslag op de offensieve strijdwijze die toentertijd in alle legers werd aangehangen. Aanvankelijk beschouwde men deze graafwerkzaamheden als een tussenstap in de volgende fase van de bewegingsoorlog. Na verloop van tijd bleek echter de loopgraaf een permanente verblijfplaats te zijn geworden voor de militairen in het veld. 


vorige hoofdstuk inhoudsopgave | volgende hoofdstuk