naar gallipoli pagina - naar homepage


Britse besluitvorming met betrekking tot de Dardanellen-operatie van1915/16

Hoe de interne meningsverschillen in Whitehall leidden tot de mislukking van de Gallipoli-operatie in 1915

door Hans Terpstra

Inhoudsopgave

Inleiding
Situatie najaar 1914
Januari 1915: besluit tot de Dardanellen-operatie
Periode tussen besluit en begin van de bombardementen
Besluitvorming tijdens de Dardanellen-operatie
     - Maart – april 1915: alleen marineoperaties
     - April – mei 1915: gecombineerde leger en marineoperaties
     - Periode medio mei – medio oktober 1915: onsamenhangende besluitvorming
     - Veranderde positie van Kitchener
     - Vanaf medio november 1915: op weg naar de evacuatie
Slotbeschouwingen
     -Conclusies eindrapport Dardanellen-onderzoekscommissie
     - Oost versus West
     - Vormgeving Britse oorlogspolitiek na debacle van Gallipoli; enkele elementen
Voetnoten
Geraadpleegde literatuur

  Inleiding

Cease your preaching! Load your guns!
Their roar our mission tells,
The day is come for Britain’s sons
To seize the Dardanelles
.
(Music-hall hit in 18961).

In de herfst van 1806, gedurende de strijd tegen Napoleon, deed de Russische regering een beroep op Engeland om de Russen te hulp te komen door middel van een vlootactie tegen de Turken in het gebied van de Dardanellen.

Een aarzelende admiraal, vertraging in de operatie en een heldhaftige verdediging door de Turken zorgden ervoor dat het doel van de operatie, bezetting van Constantinopel, niet bereikt werd.

In de storm van kritiek die in Engeland opstak was het algemene oordeel dat ten onrechte geen gebruik was gemaakt van legereenheden die destijds aanwezig waren in het gebied van de Middellandse Zee. Deze troepen zouden door een bezetting van Gallipoli de vernederende aftocht van de Britten hebben voorkomen.

Een Engelse historicus merkte in 1929 op dat men destijds de les goed had begrepen: de Britse vlootoperatie in 1807 bij Kopenhagen, waarvan het doel was te voorkomen dat de Deense vloot in handen zou vallen van Napoleon, ging vergezeld van een legereenheid van 27.000 man.2)

In 1904 werd het Committee of Imperial Defence (CID) opgericht. Eén van de doelen van dit gremium was het op elkaar afstemmen van de plannen van het leger en die van de marine. Dit ging niet zonder slag of stoot. Fisher, vanaf 1905 chef marinestaf, zag niets in de ‘onzin van gezamenlijke planning van leger en marine’.

Hij hechtte geen geloof aan de rol van een Brits leger op het continent. De plannen voor de marine stelde hij in het diepste geheim op zonder hierover contact te hebben met de legerleiding. Zijn oorlogsplannen waren gebaseerd op de mogelijkheden van de marine en hadden betrekking op een operatie van 60.000 man die dan een landing zou moeten uitvoeren op de Noord-Duitse kust maar hij wenste deze plannen niet te bespreken in het CID. Dit leidde er toe dat premier Asquith Fisher begin 1910 met vervroegd pensioen stuurde.

In de bijeenkomst van het CID van 23 augustus 1911 werd voor het eerst zowel het strategische plan van het leger als dat van de marine besproken. Hier bleek dat de opvolger van Fisher, Arthur Wilson, weigerde een eventuele overtocht van het leger naar het continent te garanderen met als argumentatie dat hij tegenstander was van continentale verplichtingen. Het verloop van deze vergadering was de directe aanleiding tot de benoeming van Churchill als minister van Marine.3)
In de periode 1912-1914 was er dus in Engeland geen effectieve structuur die leidde tot samenwerking tussen leger en vloot en, in samenhang daarmee, was de invloed van de politiek op de leiding van zowel het leger als van de marine beperkt.

Situatie najaar 1914
In november 1914 erkende het Engelse kabinet dat de verwachting dat het zou gaan om een korte oorlog, fout was geweest. Het CID, die zich sinds het uitbreken van de oorlog beperkt had tot het organiseren van de verovering van Duitse kolonies, werd vervangen door een War Council.4)

Omdat Engeland, samen met zijn dominions spoedig de beschikking zou hebben over omvangrijke legers waarvoor nog geen oorlogsbestemming was vastgesteld konden verschillende alternatieven de revue passeren. Lloyd George, minister van Financiën, had voorkeur voor een expeditie naar de Balkan of de Dalmatische kust om Oostenrijk aan te vallen aan zijn meest kwetsbare grens.5)

Hankey, secretaris van de War Council, suggereerde een aanval op Turkije dat zich eind oktober openlijk aan de zijde van de Centralen had geschaard. Churchill en de inmiddels drieënzeventig jarige Fisher, begin oktober door Churchill teruggehaald, wilden beiden een grootschalige, amfibische operatie: Fisher in Noord-Duitsland en Churchill in de Dardanellen.

Al deze plannen werden besproken zonder de beschikking te hebben over gedetailleerde kaarten noch werden adviezen van deskundigen ingewonnen. Informatie over mogelijke scheepstransporten kwam niet aan de orde. Het schrikbarende munitietekort op dat moment aan het Westelijk Front speelde kennelijk geen rol.

De argumenten van de belangrijkste leden van de War Council hadden gemeen dat iedereen van oordeel was ‘dat er iets moest gebeuren’ en dat dit het beste kon gebeuren door de bondgenoten van Duitsland aan te pakken. Maar in detail verschilden de argumenten in sterke mate.

•Lloyd George wilde het moreel van de Engelse bevolking verbeteren en hij pleitte voor ‘something like a victory’ wat ook Italië en de Balkanstaten er toe zou kunnen brengen zich bij de Entente aan te sluiten.

 • Grey, minister van Buitenlandse zaken, had al op 25 november een geheime overeenkomst met de Russen gesloten waarover zelfs Churchill op dat moment niet geïnformeerd werd. Hierin beloofde Rusland geen afzonderlijke vrede met Duitsland te zullen sluiten. In ruil voor deze belofte had Grey toegezegd dat Rusland de naoorlogse zeggenschap zou krijgen over Constantinopel en de Dardanellen.6) Dit betekende dat eind 1914 de Dardanellen-operatie van essentieel belang leek om Rusland binnen de Entente te houden.

 • Kitchener, sinds begin augustus minister van Oorlog, was geporteerd voor een aanval in het oostelijke deel van de Middellandse Zee om Egypte en het Suezkanaal te beschermen. Kenmerk van zijn beleid was echter dat hij zoveel mogelijk reserve- troepen centraal ter beschikking wilde houden en dus niet in een vroeg stadium troepen wilde toezeggen voor diverse plannen. Daarnaast werd Kitchener door French, bevelhebber van het Britse expeditieleger in Frankrijk, onder druk gezet om akkoord te gaan met een gezamenlijke operatie van leger en vloot tegen Zeebrugge.

 • Churchill had de laatste maanden ervaren dat een verliezer weinig vrienden heeft en dat mensen worden beoordeeld op hun prestaties en niet op hun principes. Het feitenlijstje voor Churchill zag er niet goed uit: het fiasco van Antwerpen, de ontsnapping van de twee Duitse kruisers naar Constantinopel begin augustus en de nederlaag van de Royal Navy begin november voor de Chileense kust.

Strachan stelt dat ‘het hem erg dwars zat dat het leger een actievere rol speelde dan de vloot’. Tijdens de voorbereiding op de oorlog had de marine de mogelijkheid van een amfibische operatie op Duitsland overwogen en het toepassen van dat principe op de Dardanellen leek logisch.

Dat Churchill in 1911 geschreven had ‘het is niet meer mogelijk is te Dardanellen te veroveren en niemand doet er goed aan een moderne vloot bloot te stellen aan een dergelijk gevaar’7) , werd ondergeschikt gemaakt aan zijn ambitie de marine een belangrijke rol te laten spelen. Eind november 1914 stelde hij dat een aanval op de Dardanellen ‘de ideale methode was om Egypte te verdedigen’.8)

Januari 1915: besluit tot de Dardanellen-operatie
Rond de jaarwisseling van 1914/1915 vond er bijna gelijktijdig een aantal gebeurtenissen plaats die zouden leiden tot besluitvorming. Op 31 december schreef Lloyd George, ongerust door de wait and see houding in Whitehall, een brief aan premier Asquith die het karakter had van een ultimatum. Hij stelde hierin dat er iets moest gebeuren en dat de War Council zich intensief moest bezighouden met de Russische situatie.9)

Vervolgens kwam er op 2 januari in Londen een dringend verzoek binnen van het Russische opperbevel om een ‘demonstratie van macht’ te tonen tegenover Turkije, teneinde de Turken te dwingen een gedeelte van hun troepenmacht uit de Kaukasus terug te halen.10)

Fisher, bevreesd dat de Council voorkeur zou geven aan concurrerende plannen, schreef op 3 januari een brief aan Churchill waarin hij stelde dat een aanval op Turkije de voorkeur zou verdienen ‘als deze onmiddellijk zou worden uitgevoerd’.

Hij werkte een plan uit voor een grootschalige landing op de Aziatische kust van de Dardanellen waarbij hij er ook vanuit ging dat er gelijktijdig een Griekse aanval zou plaatsvinden op Gallipoli.11)

Churchill liet het initiatief voor een amfibische operatie niet aan Fisher. Hij telegrafeerde onmiddellijk – zonder aandacht te besteden aan de 75.000 man ervaren troepen uit het plan van Fisher – met de Britse admiraal ter plekke, de vice-admiraal Carden, om te informeren of het forceren van de Dardanellen met de aanwezige, oude, slagschepen een kans van slagen had.12)

Fisher voelde zich terecht gepasseerd en deed op 4 januari zijn beklag in een brief aan Balfour, eveneens lid van de Council, waarin hij stelde dat hij absoluut geen heil zag in alleen een maritieme operatie.

Kitchener maakte begin januari duidelijk dat hij geen troepen wilde vrijmaken voor een operatie tegen Turkije. De troepen die eventueel in aanmerking kwamen, waaronder de 29e Britse divisie, wilde hij naar Frankrijk sturen ter ondersteuning van het door French voorgestelde offensief tegen Zeebrugge. Overigens schatte Kitchener dat voor een gecombineerde aanval in de Dardanellen ruwweg 150.000 man nodig zou zijn.

Het feit dat Churchill in de Council de indruk gaf dat de divisies niet nodig waren13  zal het standpunt van Kitchener, namelijk de troepenmacht van French niet te verminderen, vereenvoudigd hebben. Churchill zou voor de ‘Dardanellen-onderzoekscommissie’14)  in 1917 verklaren dat ‘als hij geweten had dat in mei 1915 80.000 tot 100.000 man ingezet had kunnen worden, hij de operatie met alleen een vlootaanval niet uitgevoerd zou hebben’.15)  

Op 12 januari ging Fisher toch akkoord met een door Churchill opgestelde memo waarin de door Carden gevraagde schepen aan hem werden toegewezen inclusief, op suggestie van Fisher, de met zwaar geschut uitgeruste nieuwe slagschip Queen Elizabeth.

In de vergadering van de Council van 13 januari ontstond een patstelling mede omdat, opnieuw, de Zeebrugge-operatie op tafel kwam. Lloyd George en Balfour voerden hier sterke oppositie tegen zodat het definitieve besluit over Zeebrugge werd uitgesteld.

Grey compliceerde de discussie verder door met een idee te komen om Italië aan de zijde van de Entente in de oorlog te betrekken maar Bulgarije er buiten te houden. Kitchener en Grey overwogen een plan om alleen een zuivere vlootactie te ondernemen en, in geval van zware tegenstand, deze af te blazen alvorens dit zou leiden tot een zware vernedering. Op dit moment van een moeizame impasse, kwam Churchill plotseling met het plan van Carden voor een aanval van de vloot in de zeestraat.

In woorden van Hankey, secretaris van de Council: ‘het idee sloeg onmiddellijk aan, de hele atmosfeer veranderde op slag. Weg van het geploeter aan het Westelijk Front naar de gunstige vooruitzichten in de Middellandse zee. Iedereen had van nature vertrouwen in de vloot die tot op dat moment nog weinig had kunnen laten zien’.16

De twee zeventigjarige admiraals Fisher en Arthur Wilson, die Churchill in de vergadering terzijde stonden, deden geen poging het optimistische verhaal van Churchill over het effect van het scheepsgeschut op de Turkse forten van de nodige kanttekeningen te voorzien.

De Dardanellen-onderzoekscommissie zou later scherpe kritiek uiten op Fisher en Arthur Wilson; door niet van een afwijkende mening blijk te geven, gaven zij de stellige indruk het eens te zijn met de aanwezigen. Overigens, ook Asquith en Churchill werden bekritiseerd door de onderzoekscommissie omdat zij nagelaten hadden bij de aanwezige experts erop aan te dringen hun meningen te geven.

De conclusies van de Council van 13 januari leken alle deelnemers tevreden te moeten stellen:
 ● voorbereidingen zullen getroffen worden voor een gecombineerde leger- en vlootaanval op Zeebrugge;
 ● de Admiralty zal acties overwegen in de Adriatische Zee om Italië aan de kant van de Entente te brengen;
 ● de Admiralty zal een vlootoperatie voorbereiden om in februari Gallipoli in te nemen met als uiteindelijk doel: inname van Constantinopel;
 ● als de toestand aan het Westelijk front in het voorjaar uitloopt op een impasse dan zullen Britse troepen elders ingezet worden.

De conclusie van de Dardanellen-onderzoekscommissie zoals geformuleerd in 1917 lijkt onontkoombaar: ‘door de beslissing van 13 januari besloot de War Council ogenschijnlijk alleen tot een vlootactie, maar in werkelijkheid legde zij zich vast op een grootschalige actie van het leger indien de poging van de vloot de toegang tot de Dardanellen te forceren, succes zou hebben’.17)  

Een andere conclusie kan luiden dat de Council binnen twee weken een relatief simpel verzoek ‘om een demonstratie van macht’ wist om te zetten in een lastig karwei voor de vloot met daarbij nog de kans op de inzet van een troepenmacht als bijvoorbeeld Constantinopel ingenomen moest worden. Overigens zou blijken dat, indien de vloot geen succes zou boeken het leger ook zou worden ingezet.

De Council van 28 januari zou formeel het definitieve besluit nemen over de aanval op de Dardanellen. In de aanloop naar deze vergadering nam Fisher afstand van het door de politiek genomen besluit. In een memo aan Churchill, waarover Asquith nog voor de vergadering van de Council werd geïnformeerd, stelde Fisher dat de schepen die bestemd waren voor de Dardanellen-operatie, nodig waren ‘at the decisive theatre at home’, de Noordzee dus, en dat het ‘gehele Dardanellen-project onuitvoerbaar was’.18)  Tijdens de vergadering van de Council refereerde noch Asquith, noch Churchill of Fisher aan hun onderlinge verschillen van inzicht. Maar er werd meer verzwegen.19)

Asquith maakte melding van de goedkeuring door Rusland van de Dardanellen-operatie en ook dat Frankrijk beloofd had met zijn vloot de operatie te ondersteunen. Churchill voegde daar echter niet aan toe dat de Russische regering tegen haar wil goedkeuring had gegeven aan het Britse plan en pas na grote druk vanuit het, zich van de uitzichtloze situatie bewuste, militaire hoofdkwartier.

Ook werd geen melding gemaakt van het gebruik van deze ‘goedkeuring’ door Churchill, overigens op suggestie van Grey, om de medewerking te verkrijgen van het Franse ministerie van Marine voor de vlootondersteuning.

Grey ondersteunde het plan vanuit oogpunt van buitenlands beleid: het zou de houding van Bulgarije en daarmee de gehele Balkan ten gunste van de Entente bepalen.

Deze algemene ondersteuning binnen de Council kan Fisher hebben geïntimideerd. Noch hij noch Arthur Wilson protesteerde tijdens de vergadering tegen de operatie. Het verhaal gaat dat Fisher de vergadering uit, stil, protest wilde verlaten om zijn ontslagbrief te schrijven maar dat Kitchener hem daarvan weerhield.20)

In beide vergaderingen van de Council werden de besluiten over de vlootexpeditie unaniem genomen. De gewoonte in de Australische geschiedschrijving om Churchill als de kwade genius neer te zetten behoeft dus nuancering: de Council als geheel was de oorzaak van de Gallipoli tragedie.

Periode tussen besluit en begin van de bombardementen
Het verslag van de Dardanellen-onderzoekscommissie geeft aan dat, vanaf het moment van besluit tot aan het begin van de vlootbombardementen, een periode van drie weken, de opinies van een aantal leden van de Council over hoe de operatie uitgevoerd moest worden, zich langzaam wijzigden. Het idee van een zuivere vlootaanval werd meer en meer ter discussie gesteld zonder dat dit invloed had op het genomen besluit. De noodzaak van inzet van een substantiële troepenmacht ‘werd dagelijks duidelijker’.21)

Het verslag gaat niet in op de oorzaken hiervan maar ongetwijfeld heeft een memorandum van de Admiralty War Staff, waaruit weerstand bleek van het 2e echelon marinedeskundigen tegen de vlootoperatie omdat deze als een ‘groot risico’ werd beschouwd, een rol gespeeld.22)  Ook het feit dat de Council inmiddels had besloten dat de Zeebrugge-operatie van de baan was waardoor er Britse troepen vrijkwamen, zal een rol gespeeld hebben.

Toen er daarnaast begin februari ontspanning optrad tussen Bulgarije en Turkije, waardoor Turkije troepen kon verplaatsen van de Bulgaars-Turkse grens naar Gallipoli, begon Kitchener te bewegen qua standpunt. Het verse Australische en Nieuw-Zeelandse legerkorps, omvang 30.000 man en sinds november 1914 in Egypte, werd aangewezen als ondersteuning van de vlootoperatie.

Op 16 februari besloot de Council, mede naar aanleiding van een aanval begin februari van Turkse troepen op het Suezkanaal, om in het gebied van de Middellandse Zee een aanzienlijke troepenmacht te concentreren. Een specifiek besluit van de Council, mede genomen op aandringen van Fisher, betrof de 29e divisie van de geregelde strijdkrachten die ‘zich zo spoedig mogelijk moest inschepen’. Ondanks het feit dat Kitchener aanwezig was bij het nemen van dit besluit op 16 februari werd de generale staf hierover pas op 11 maart geïnformeerd!

Higgins suggereert dat hier van de zijde van Kitchener opzet in het spel was: hij wilde eerst afwachten hoe de op 10 maart begonnen slag aan het Westelijk Front bij Neuve Chapelle zich zou ontwikkelen…23) Het feit dat Kitchener Churchill niet heeft ingelicht over de drie weken vertraging zou, in 1917, door de Dardanellen-onderzoekscommissie als ernstig worden beoordeeld.

Het moet voor betrokken politici duidelijk geweest zijn dat er enige tijd zou verlopen alvorens deze troepen ingezet konden worden. Het is achteraf dan ook opmerkelijk dat, hoewel de opinies over de vlootaanval zich hadden gewijzigd en bovendien het weer uitzonderlijk slecht was, niemand heeft gesuggereerd de aanval uit te stellen totdat het leger gereed was.

Besluitvorming tijdens de Dardanellen-operatie

Maart – april 1915: alleen marineoperaties
Op 19 februari 1915 begonnen de eerste24) veelomvattende vlootbombardementen op de buitenforten van de Dardanellen. Het verzet van deze buitenforten werd spoedig gebroken maar in de Dardanellen boden de Turken zwaardere tegenstand. Twee aan wal gezette bataljons Royal Marines leden zware verliezen bij een aanval op het fort Kum Kale en de Britse mijnenvegers slaagden er niet in het mijnenveld op te ruimen.

Wellicht dat dit de redenen waren dat Churchill in de Council voor de eerste maal aandrong op de noodzaak van volwaardige Britse troepen. Tijdens de vergadering van 26 februari informeerde Churchill de Council dat de vloot niet langer succes kon garanderen en dat het ‘moeilijkste deel van de vlootaanval nog moest komen’. Hij stelde dat met behulp van de 29e divisie ‘we er zeker van kunnen zijn dat we Constantinopel eind maart kunnen innemen’. Zijn pleidooi om troepen werd verworpen en Churchill liet in de ‘notulen25) opnemen’ dat hij ‘geen verantwoordelijkheid kon dragen als er een nederlaag plaatsvond in de Dardanellen vanwege onvoldoende legersteun’.26)

In de loop van de eerste helft van maart werd duidelijk dat de vlootoperatie dreigde te mislukken. Churchill overreedde de Admiralty War Staff om vice-admiraal Carden opdracht te geven door te zetten ongeacht de verliezen. Carden kon dat echter wegens ziekte niet waarmaken. Zijn opvolger, de Robeck, verzekerde Churchill dat hij het plan van zijn voorganger voor de vlootaanval goedkeurde. Twee jaar later zou hij de Dardanellen-onderzoekscommissie meedelen dat ‘iedereen van mening was dat een gecombineerde operatie beter was, maar niemand werd om zijn mening gevraagd. Ons werd opgedragen de forten te bombarderen en dat deden we’.27)

Op 18 maart probeerde een Brits-Franse vlooteenheid zich door de Dardanellen een weg te banen naar de zee van Marmara. Van daaruit zouden de geallieerde oorlogsbodems dan hun scheepsgeschut kunnen richten op Constantinopel. Het plan mislukte. Drie schepen werden tot zinken gebracht; drie andere liepen door mijnen schade op. Vertrouwelingen van Kitchener gaven hem nu te kennen dat grootschalige legersteun noodzakelijk was.

Inmiddels had Kitchener, op aanraden van Churchill, Hamilton belast met het commando van de, in grote haast gevormde, Mediterranean Expeditionary Force (MEF)  welke bestond uit Britse, Australische, Franse en Nieuw-Zeelandse troepen met een totale omvang van 75.000 man. Kitchener instrueerde Hamilton in termen van zijn oorspronkelijke opvatting dat ‘het leger de vloot zou moeten ondersteunen’. Echter, de operatie was onomkeerbaar bezig te veranderen in een operatie waarbij de vloot het leger zou moeten ondersteunen!

Binnen een week maakte Hamilton duidelijk aan Kitchener dat ‘het onwaarschijnlijk is dat de Dardanellen bedwongen kunnen worden door de vloot (…) en dat, wanneer het leger ingezet wordt, deze operaties vermoedelijk niet de ondergeschikte opzet zullen hebben’. Het zou volgens Hamilton moeten gaan om een ‘totale militaire operatie die het mogelijk maakte dat de vloot doorgang kreeg’.

Op 22 maart vroeg de Robeck volledige assistentie van de troepen van de MEF. Aangezien kleine landingen door Kitchener verboden waren, stemde de Robeck zonder problemen ermee in dat de vroegste datum voor een gecombineerde aanval medio april zou zijn. Churchill was het hiermee absoluut niet eens en wilde dat Fisher aan de Robeck orders zou geven de vlootaanval zo spoedig mogelijk te hervatten ‘omdat de Turken gebrek aan munitie hebben’.28)

Fisher weigerde en de discussie liep hoog op. Churchill moest een beroep doen op premier Asquith maar deze steunde Churchill nu niet. Aangezien de meningen in de Council sterk verdeeld waren en Asquith er geen behoefte aan had een kibbelend Council voor te zitten, werden er geen vergaderingen belegd gedurende bijna twee maanden!29)

Fisher, gesteund door Arthur Wilson, bleef sceptisch over de operatie. Hij trachtte zeker te stellen dat niet nog meer schepen aan de vloten elders onttrokken zouden worden. Hij bleef Churchill verwijten dat deze onvoldoende oog had voor de gevaren in West-Europa. In een brief van 5 april speelde hij met de mogelijkheid van een veronderstelde aanval van Duitsland op Nederland in de hoop de aandacht van Churchill van de Egeïsche Zee af te leiden.30)

Tegenover derden liet hij blijken dat hij de Dardanellen-operatie en Churchill zou blijven steunen zolang het leger een snelle en beslissende overwinning kon boeken. Naast tegenstand binnen de Admiraliteit ontmoette Churchill ook politieke tegenstand waar twijfel over de operatie op Gallipoli ontstond. Voorgesteld werden alternatieve landingen in Haifa en in Thracië. Discussies hierover gevoegd bij de onzekerheid over de positie van Italië, door Asquith gebruikt om uitstel na te streven, en het bar slechte weer zorgden ervoor dat Hamiltons expeditie pas op 23 en 24 april vertrok naar Gallipoli. Op dat moment was het idee van alleen een vlootoperatie een gepasseerd station.

April - mei 1915:
    politieke verwikkelingen, gecombineerde leger en marineoperaties

Hamilton had een schromelijk tekort aan voorraden en miste nauwkeurige kaarten. De militaire inlichtingen waarover hij beschikte dateerden van 1903 hoewel meer actuele informatie over de verdediging van de Dardanellen bij het ministerie van Oorlog aanwezig was. De Britse militaire attaché in Constantinopel had namelijk vanaf 1911 met regelmaat het ministerie van informatie voorzien.31)  

Oorspronkelijk lag er op Gallipoli maar één Turkse divisie in het gebied. De tijd die verstreek tussen het einde van de marineoperaties en het begin van de gecombineerde invasie, had men aan Turkse zijde benut om het gebied met vijf extra divisies te versterken. Op 25 april begonnen de landingen. Hamilton vroeg op 9 mei aan Kitchener om aanvullende versterkingen in de vorm van twee divisies. Met betrekking tot de gevraagde munitie werd French opgedragen hiervoor zorg te dragen.

Buiten zichzelf van woede, hij had enkele weken daarvoor de Dardanellen-operatie als ‘madness’ gekwalificeerd, informeerde French via zijn connecties de leiders van de oppositie hierover evenals Lloyd George, niet echt een vriend van Kitchener.32)

Dit voorval illustreert dat er niet gekozen was welk gebied het primaire oorlogstoneel was. Hamilton kreeg opdracht een nieuwe operatie te beginnen zonder voldoende reserves en French kreeg toestemming zijn voorjaarsoffensief door te zetten hoewel hij onvoldoende sterk was. Met nauwelijks genoeg munitie voor één oorlogsoperatie werden er twee operaties in gang gezet en beide liepen uit op een mislukking.

Het ontbreken van een strategische keus kwam ook tot uiting tijdens de War Council van 14 mei die toen overigens twee maanden niet bij elkaar was gekomen. De sfeer was om te snijden. Churchill had Fisher toestemming gegeven om de Queen Elizabeth terug te trekken uit de Egeïsche Zee en toe te voegen aan de vloot op de Noordzee.

Kitchener, die op dat moment al 15.000 man verloren had ‘in een operatie waarin hij de Navy moest ondersteunen’, wond zich hier enorm over op. Verder waren er zowel in Frankrijk als in Gallipoli zware verliezen te betreuren en liepen de offensieven vast. Daarnaast waren er de ondergang van de Lusitiana en het munitieschandaal in de Britse pers.

Scherpe tegenstelling kwam aan het licht tussen enerzijds Churchill, stoppen offensief in Frankrijk en alles concentreren in Gallipoli, en anderzijds Kitchener en Fisher, de Dardanellen verlaten. Het ontbrak de Council, geleid door de altijd naar compromissen zoekende Asquith, aan durf om werkelijk een keus te maken.

Na de vergadering voegde Churchill, volgens de biograaf van Fisher zonder overleg met Fisher, twee onderzeeboten toe aan de vloot voor de Dardanellen. Toen Fisher hier de volgende morgen mee geconfronteerd werd schreef hij, na ettelijke malen hiermee gedreigd te hebben, zijn ontslagbrief. Ondanks het feit dat de junior Sea Lords de bezwaren van Fisher deelden, bleven zij deel uitmaken van de leiding van de Admiraliteit.33)  

Het zou blijken dat Churchill hiermee een pyrrusoverwinning behaald had. Fisher informeerde de leider van de oppositie over de achtergrond van zijn aftreden. De Conservatieven gaven te kennen het aftreden van Fisher te beschouwen als een greep naar de macht bij de Admiraliteit door Churchill. Asquith wilde een debat in het parlement voorkomen en zijn compromis was dat de Liberale regering plaats zou maken voor een Coalitieregering waarin Churchill niet meer zou terugkeren als minister van Marine.

In zijn memoires verwijt Churchill Asquith dat hij een, geheim, debat in het parlement over het verloop van de oorlog niet aandurfde. Ook Kitchener kwam er niet zonder kleerscheuren vanaf; hij moest accepteren dat een deel van zijn verantwoordelijkheden werden ondergebracht bij het nieuwe ministerie van Munitie dat onder verantwoordelijkheid kwam van zijn onverzoenlijke vijand Lloyd George.

Periode medio mei – medio oktober 1915: onsamenhangende besluitvorming
Vermoedelijk tot zijn eigen verrassing behield Churchill een plaats in het kabinet zij het in een ambt zonder verplichtingen. De Conservatief Balfour werd minister van Marine; hij had het beleid van Churchill tot dan toen gesteund. De War Council werd met vertegenwoordigers van de Conservatieven uitgebreid tot twaalf leden. Churchill bleef lid van het gezelschap! De naam van de Council werd gewijzigd in Dardanelles Committee maar verder vertoonde het gremium hetzelfde gebrek als de Council: geen agenda, geen notulen en een nog moeizamer besluitvorming die nu samen met de coalitiepartner moest plaatsvinden.34)

Begin juni presenteerde Kitchener aan het Committee een memorandum dat sterk beïnvloed was door de recente problemen die Hamilton inmiddels had ondervonden. Kitchener gaf hierin toe dat de ondervonden moeilijkheden ernstiger waren dan oorspronkelijk gedacht en dat er veel meer inspanning nodig zou zijn om de doelen te bereiken. Hij suggereerde drie mogelijke acties: de operatie terugtrekken, wees hij af, dit zou een disaster worden, een beslissing forceren, achtte Kitchener onmogelijk zonder inzet van troepen aan het Westelijk front waarvoor hij opnieuw niet koos, en de huidige operatie zo goed mogelijk voortzetten.

Omdat Kitchener de eerste twee opties niet acceptabel achtte, bleef bijgevolg de laatste optie als enige over waarvan hij als bijkomend voordeel zag dat het de Turken ervan zou weerhouden elders operaties uit te voeren. Churchill was het met het halfslachtige voorstel van Kitchener niet eens en stelde het Committee voor om Hamilton vier extra divisies ter beschikking te stellen.

Na veel geharrewar werd dat voorstel op 7 juni door het Committee voorgelegd aan het voltallige kabinet waar de discussie op 9 juni nog eens werd overgedaan. Tot grote ergernis van de Britse legerleiding in Frankrijk, die meende dat een militaire overwinning alleen in Frankrijk te behalen was, nam het kabinet het voorstel om de troepenmacht van Hamilton aanzienlijk te versterken over.35) Medio augustus zou Hamilton opnieuw aan Kitchener meedelen dat hij het zonder nog eens extra troepen niet zou redden tegen de goed geleide en dapper vechtende Turkse troepen.

Op 6 juli 1915, tijdens het overleg tussen de Britse en Franse regeringen, kwam nu ook Kitchener, evenals eerder Fisher, tot de conclusie dat de belangen van beide oorlogsfronten verre van complementair waren en zelfs onverenigbaar waren geworden.

Toen medio juli de Centralen tot de aanval tegen Rusland overgingen, meende de Britse regering dat de Dardanellen-operatie van meer troepen voorzien moest worden terwijl de Franse regering hierin aanleiding zag om Joffre te steunen in zijn voorgestelde augustusoffensief in de Champagne.

Dit was aanleiding voor Asquith om Hankey op inspectie te sturen naar de Dardanellen. De conclusies uit diens rapport logen er niet om: ’gedemoraliseerde troepen met gebrek aan ervaren kader, voortdurend onder vijandelijk vuur en officieren die door Hamilton onvoldoende geïnstrueerd werden’.

In het najaar van 1915 hadden Engeland en Frankrijk, ondanks een aantal voornemens, nog steeds niets gedaan om Servië te hulp te komen. Op 6 september tekende Bulgarije een verdrag met Turkije wat tot gevolg had dat Servië en Griekenland een beroep deden op de Entente.

Gezien de grote geallieerde offensieven in Frankrijk, gepland voor de tweede helft van september, spraken in het Britse kabinet de tegenstanders van Kitchener en Churchill zich uit voor een gedeeltelijke evacuatie van troepen op Gallipoli ten gunste van een Balkan expeditie vanuit Saloniki. Zonder ruggespraak met hun generaals deelde de Franse regering aan de Griekse premier mee dat zij bereid waren voor deze expeditie troepen te leveren.36)

Voor de Britten, die al geconfronteerd waren met de vraag ‘waar ligt het primaire oorlogsterrein’, werd het probleem nog complexer. In het Britse kabinet manifesteerde zich de besluiteloosheid hierover. De generale staf en de staf van de marine werden op 6 oktober gevraagd met een gezamenlijke visie over de te volgen koers te komen.

Al op 9 oktober raadden zij het zenden van nog meer troepen37)  naar Saloniki af: het werd onwaarschijnlijk geacht dat Servië nog te behouden was.38)  In plaats daarvan werd er met nadruk gepleit voor een nieuw offensief in Frankrijk. Als dit niet kon plaatsvinden zou met eerste prioriteit een hernieuwde aanval op Gallipoli moeten plaatsvinden waartoe dan acht vrijgemaakte Britse divisies uit Frankrijk zouden moeten worden ingezet.

De boodschap van de gezamenlijke staven aan het kabinet was dus ‘kies!’. Maar zover was het Dardanelles Committee nog niet. Het besloot het merendeel van de aanbevolen divisies uit Frankrijk over te plaatsen naar Egypte en daar de gebeurtenissen af te wachten. Het Britse kabinet liet dit passeren. Om het naderende fiasco van Gallipoli te maskeren besloot het kabinet op 23 oktober tot een risicovolle aanval op Bagdad door aanwezige Brits-Indische divisies. Dit liep uit op een ramp: op 22 november werden de Engelsen teruggeslagen door de Turkse troepen waarbij zij op één dag 4.000 doden en gewonden verloren van de 12.000 man die het leger telde.39)  

Veranderde positie van Kitchener
Ongenoegen met de situatie en de tamelijk soevereine positie van Kitchener leidde eind september tot het kabinetsbesluit dat de Generale Staf versterkt moest worden zodat de regering breder geïnformeerd zou worden over de stand van zaken.40)

Dit was een compromis want Lloyd George en Bonar Law, leider van de Conservatieven, hadden aangedrongen op zijn aftreden. Asquith blokkeerde dit omdat hij wellicht vreesde dat het aftreden van de nog steeds populaire Kitchener ook politieke gevolgen voor hém kon hebben. Maar de onvrede woekerde voort, zeker toen de opvolger van de aan de kant gezette Hamilton binnen twee weken na zijn aanstelling de aanbeveling deed Gallipoli te verlaten.

Op 31 oktober dreigde Lloyd George af te treden indien Kitchener niet vertrok. Maar aangezien hij ook kritiek had op het functioneren van het Dardanelles Committee , gaf dat Asquith de mogelijkheid een compromis te sluiten. Op 2 november kondigde de premier aan dat dit Committee vervangen werd door een War Committee dat slechts zou bestaan uit drie tot vijf leden, effectiever ondersteund zou worden en het kabinet beter zou informeren over genomen besluiten. Lloyd George had hiermee het gevecht om de Dardanellen gewonnen: de voorstanders van de operatie, waaronder Churchill, werden buiten het nieuwe Committee gelaten.41)

Eind november, na terugkeer van een inspectiereis door het Midden-Oosten, stelde Kitchener zijn ministerspost ter beschikking. Asquith deed een beroep op hem aan te blijven maar wel zijn bevoegdheid voor de strategie van het War Office over te dragen aan Robertson die dus als nieuwe Chief of the Imperial General Staff  volledige zeggenschap zou krijgen over strategische aangelegenheden. Tot veler verrassing accepteerde Kitchener dit voorstel. Belangrijke veranderingen die de benoeming van Robertson meebracht waren, dat de War Council niet meer verantwoording zou moeten afleggen aan het voltallige kabinet en dat de Council in de toekomst alle adviezen slechts door één kanaal zou verkrijgen en dat was via Robertson.42)

Vanaf medio november 1915: op weg naar de evacuatie
Robertson maakte onmiddellijk duidelijk waar zijn prioriteit lag: de Duitsers konden alleen overwonnen worden ‘door hun eigen legers in Frankrijk te verslaan’.43) Het War Committee deed nog een zwakke poging tot een compromis: twee stranden op Gallipoli verlaten en er één behouden. Dit om aan de openbare mening in Engeland, sterk gekant tegen evacuatie, tegemoet te komen.

Tijdens de Engels-Franse besprekingen op 5 december deden de Engelsen een laatste poging de Fransen mee te krijgen Saloniki te verlaten en zodoende het garnizoen vrij te maken voor Gallipoli. Nu gesteund door de Russen gaven de Fransen echter niet toe en het Committee gooide de handdoek in de ring.

Op 20 december vond de eerste evacuatie plaats en op 9 januari de finale evacuatie. Deze zeer goed georganiseerde evacuaties, waarbij geen verliezen optraden, waren het einde van de Dardanellen-operatie waarbij de Turken waarschijnlijk 300.000 man verloren en de geallieerden 265.000 verliezen telden.

Slotbeschouwingen

Conclusies eindrapport Dardanellen-onderzoekscommissie
De Dardanellen-onderzoekscommissie heeft in haar eindrapport o.a. geconcludeerd:
Het zou overdreven zijn te stellen dat de operatie in haar geheel een mislukking was. Dit was zeker niet het geval. De onderneming was immers oorspronkelijk bedoeld om ‘een demonstratie van macht’ ten behoeve van Rusland te geven. In dit opzicht kan gezegd worden dat de operatie zeer redelijk geslaagd is. Bovendien kan het nauwelijks worden betwijfeld dat zonder de Dardanellen-operatie Bulgarije veel eerder de zijde van de Centralen zou hebben gekozen.44)

Naast de vraag of deze aanleiding voldoende maatstaf is om de operatie te beoordelen, wordt hier voorbij gegaan aan de variatie van particuliere doelstellingen die de deelnemers aan het Britse besluitvormingsproces gedurende de operatie al of niet openlijk tentoonspreiden en die grotendeels niet behaald zijn.

AJP Taylor is één van de Britse historici die suggereert wat de strategische doelstelling had moeten zijn: ‘via een achterdeur in de zwakke onderbuik van Europa, Duitsland aan een andere kant aanvallen’. Gallipoli bood naar zijn mening hiervoor te weinig ruimte, het was een te nauwe spleet en meer troepen zouden de spleet niet wijder hebben gemaakt.45)

De campagne zou dus succes gehad kunnen hebben als deze elders was uitgevoerd. Een beperkte campagne bij Haifa, zoals door Hankey begin april nog voorgesteld, zou bovendien het voordeel gehad hebben dat ze minder bedreigend was geweest voor het Westelijk front en dus vermoedelijk eerder de steun zou hebben gekregen van de legerleiding.

Oost versus West
Eind 1914 hadden de generale staven van alle oorlogvoerende partijen geen ideeën meer hoe de oorlog te winnen. Binnen de Entente was vooral een aantal politici voorstander van het doorbreken van de impasse aan het Westelijk front door middel van een Oostelijke oplossing. Deze politici meenden dat het Westelijk Front hun veel gesneuvelden zou bezorgen voor een te verwaarlozen winst.

Volgens hen zouden ze met een campagne op de Balkan of in het Midden-Oosten meer kunnen bereiken. Hun tegenstanders, vooral oudere militairen, meenden dat een overwinning alleen mogelijk was door de Duitsers te verslaan op het Westelijke Front. Tot belangrijke voorstanders in 1914/15 in het Britse kamp van de Oostelijke oplossing behoorden Lloyd George, Hankey, Kitchener en Churchill maar hun motieven verschilden.

 ● Lloyd George was een duidelijke voorstander de vijand daar aan te vallen waar hij het zwakst was.46) In wezen was Lloyd George van oordeel dat een overwinning in het Middellandse Zeegebied meer waarde zou hebben voor het Britse Empire dan een militaire overwinning in Frankrijk.
 ● Hankey, afkomstig uit de marine, was gekant tegen een grootschalige continentale verplichting. Hij gaf de voorkeur aan amfibische operaties tegen Turkije in de schijnbaar veilige periferie van het oorlogstoneel.
 ● Kitchener kon zich in de Oosterse benadering volledig vinden zo lang de vloot het hoofdaandeel zou leveren.
 ● Churchills motieven voor een offensief tegen Turkije hadden in eerste instantie te maken met de wens van imperialistische gebiedsuitbreidingen.

In begin 1915 kregen de politici hun zin maar de Britse regering slaagde er niet in haar oorlogsbeleid goed te organiseren. Als het Britse kabinet de aandacht beperkt had tot het terrein van de politiek, waarbij de strategische motieven beter op elkaar afgestemd zouden zijn, zouden de twee professionals Kitchener en Fisher het dan eens geworden zijn over een minder ambitieus plan dat wel geleid zou hebben tot een haalbaar offensief?

De vergelijkbare, strategische dromen van de aanhangers van de Oostelijke oplossing werden wel gerealiseerd door het tandem Von Hindenburg/Ludendorff: zij versloegen Servië, Roemenië en tenslotte Rusland ondanks de oppositie van Von Falkenhayn.

Vormgeving Britse oorlogspolitiek na debacle Gallipoli; enkele elementen
De Engelse regering deed vanaf eind 1915 pogingen de vormgeving van haar oorlogspolitiek op een hoger plan te brengen. De eerste stap werd gezet, onder druk van Lloyd George, door de zwakke premier Asquith. De benoeming van Robertson in de functie van Chief of the Imperial General Staff en de instelling van een War Committee met beperkte samenstelling waren in elk geval op papier een verbetering. Lloyd George, die in december 1916 Asquith opvolgde, verving het gewone type kabinet door een War Cabinet van slechts vijf leden dat zich volledig aan de oorlogsstrategie kon wijden.

Vervolgens ging hij de krachtmeting aan met de chefs van staven van het leger en de marine om die onder controle te krijgen van de politiek, een taak waarin Asquith niet was geslaagd. Het Lagerhuis maakte duidelijk dat politieke interventie in de legerleiding niet getolereerd zou worden.47)

Maar de premier bracht de marine en het leger onder controle via personele mutaties. De minister van Marine en de First Sea Lord werden binnen een jaar vervangen. Met het leger had Lloyd George meer moeite. Haig, opvolger van French, en Robertson hadden veel invloed en werden zelfs door koning George V beschermd.

In juni 1917 moest Lloyd George de generaals hun zin geven voor een offensief dat de geschiedenis zou ingaan als het drama bij Passendale, omdat de andere leden van het kabinet overtuigd werden door Haigs argumenten. Hij nam dit vooral Robertson kwalijk toen bleek dat deze zijn twijfels verborgen had gehouden voor het War Cabinet.

Lloyd George bepaalde dat er verder geen Brits offensief in Frankrijk zou plaatsvinden totdat de Amerikanen in 1918 steun konden verlenen. Robertson werd eind 1917 weggepromoveerd en vervangen door een vertrouweling van Lloyd George, Henry Wilson. In 1923 werd een Chiefs of Staff Committee ingesteld om te komen tot betere afstemming van de operationele plannen van de, nu drie, krijgsmachtonderdelen.

Maar de geschiedenis zou zich herhalen. In 1939 bezette de Sovjet-Unie Finland en de geallieerde regeringen brachten haastig een expeditiemacht bijeen waarvan bedacht was dat deze, via Noorwegen, de Finnen te hulp zou komen. De actie leidde in april 1940 tot een tijdelijke bezetting van Narvik.

Diverse historici hebben deze campagne vergeleken met de Dardanellen-operatie. De toenmalige Secretary of Imperial Defence, Ismay, stelde dat de campagne, wat tekortkomingen betrof, een getrouwe kopie van Dardanellen-operatie was en dat de chefs van de marinestaf en de generale staf volledig onafhankelijk van elkaar acteerden.48) AJP Taylor kwalificeert het nog scherper: ‘the Finnish campaign was Gallipoli again, and worse’.49)

Zijn ervaringen brachten Churchill er toe in de Tweede Wereldoorlog in zijn War Cabinet de functies van premier en, coördinerend, minister van Defensie te combineren. De ministers voor de afzonderlijke krijgsmachtonderdelen waren niet opgenomen in zijn War Cabinet. In 1946 werd ten slotte een ministerie van Defensie opgericht maar pas in 1964 zou dit leiden tot opheffing van de afzonderlijke ministeries voor de verschillende krijgsmachtonderdelen.50)

Voetnoten
[1] In 1896 wilde de Britse regering de Sultan van het Ottomaanse Rijk onder druk zetten. In dit kader werd een Dardanellen-operatie overwogen om Gallipoli te bezetten.
[2] Pethick, p. 2
[3] Higgins, p. 11
[4] Evenals het CID was de Council samengesteld uit leden van het kabinet waaraan toegevoegd enige ‘experts’. De praktijk bij het CID was dat het kabinet zich bezig hield met alle belangrijke besluiten terwijl de werkwijze van de Council inhield dat zij, de facto, de besluiten nam en slechts bij uitzondering het voltallige kabinet (DC Report, p. 18).
[5] Lloyd George, p. 223
[6] Ph. Taylor, 37 voetnoot 7
[7] Strachan, p. 111
[8] DC Report, p. 80
[9] Lloyd George, p. 212
[10] Op 4 januari echter leden de Turken een zware nederlaag in dit gebied zodat de vraag gewettigd is of het Russische verzoek niet wat overtrokken was.
[11] In augustus 1914 had Griekenland de Entente militaire steun aangeboden in geval Turkije aan de zijde van de Centralen zou komen. Omdat Rusland hier bezwaar tegen maakte werd van dit aanbod toen geen gebruik gemaakt.
[12] Higgins, p. 79
[13] DC Report , p. 81
[14] Commissie in 1916 ingesteld door de Engelse regering om een onderzoek te doen naar alle aspecten van de oorlog in de Dardanellen en Gallipoli. Resultaten vastgelegd in “The Dardanelles Commission, 1914-16”.
[15] DC Report, p. 113
[16] Higgins, p. 85
[17] DC Report, p. 48
[18] Higgins, p. 91
[19] Higgins, p. 96
[20] AJP Taylor, p. 24
[21] DC Report, p. 60
[22] Churchill veranderde zijn standpunt hierdoor niet.
[23] Higgins, p. 112
[24] Op 3 november waren deze forten ook al, zij het kort, onder vuur genomen. De Dardanellen-onderzoekscommissie concludeerde hierover later dat dit onverstandig was geweest omdat de Turken hierdoor gewaarschuwd werden.
[25] In tegenstelling tot het CID was het in de Council niet de gewoonte om notulen ter goedkeuring voor te leggen aan de leden. Er waren alleen handgeschreven notities van de secretaris die niet de status hadden van goedgekeurde notulen (DC Report, p. 17).
[26] Higgins, p. 110
[27] DC Report, p. 71
[28] Het is onduidelijk of Churchill gelijk had; in zijn memoires refereert hij aan ‘secret sources, the credit of which was unquestionable (p. 461). Pethick citeert bronnen, o.a. de Duitse bevelhebber van de Turkse troepen Liman von Sanders, die dit zouden bevestigen (p. 13). Strachan ontkent dat de Turken bijna door de munitie heen waren (p. 113).
[29] Higgins, p. 125
[30] Higgins, p. 129
[31] Ph. Taylor, p. 30
[32] Dit leidde in mei 1915 in de Britse pers tot het zg. shell scandal.
[33] Higgins, p. 142
[34] De War Council werd bij de vorming van de Coalitieregering opgeheven (AJP Taylor, p. 44).
[35] DC report p. 148 en Higgins, p. 154/155
[36] Achtergrond hiervoor was een binnenlands politiek motief om generaal Sarrail ‘te lozen’.
[37] Al op 7 oktober waren de eerste Engelse transporten in Saloniki aangekomen.
[38] In Griekenland was inmiddels de pro-Entente premier door de koning ontslagen en voerde het nu een neutraliteitspolitiek.
[39] Higgins, p. 166
[40] Bij het aantreden van Kitchener had de Generale Staf feitelijk opgehouden te bestaan ‘omdat hij niet werd geconsulteerd’ (Higgins, p. 49)
[41] Dit was één van de redenen dat Churchill op 15 november het kabinet verliet.
[42] AJP Taylor karakteriseert Robertson als: ‘his main concern was to deny civilian ministers any say in conduct of war. He met all civilian criticism or suggestion with the reply:”I’ve ‘eard different”’. (p. 48).
[43] AJP Taylor, p. 48
[44] DC Report, p. 77
[45] AJP Taylor, p. 48
[46] Lloyd George, p. 1080
[47] AJP Taylor, p. 87
[48] Higgins, p. 188
[49] AJP Taylor, p. 469
[50] Butler, p. 49

Geraadpleegde literatuur
0Butler, David en Freeman, Jennie - British Political Facts 1900-1968 (Londen, 1969)
0Churchill, Winston - The World Crisis 1911-1918 (Londen 1932)
0Dardanellen Commission Report, 1914-16 in World War I Collection, Gallipoli
    and the Early Battles (Norwich, 2001; first published in 1918)
0Higgins, Trumbull - Churchill and the Dardanelles (Bristol, 1963)
0Lloyd George, David - War Memoirs Vol. I, II (Londen, 1938)
0Pethick, Ted - The Dardanelles Operation: Churchill’s Disgrace or the Best Idea
    of World War I?; te raadplegen op www.iusb.edu/~journal/2001/pethick.html
0Strachan, Hew - De Eerste Wereldoorlog (2004)
0Taylor, AJP - English History 1914-1945 (Oxford 1965)
0Taylor, Phil en Cupper, Pam - Gallipoli (East Roseville – Australië, 1989)

 © 2007 - Hans Terpstra. De auteursrechten van bovenstaand artikel berusten bij de auteur.
Voor gehele of gedeeltelijke overname is dan ook uitdrukkelijk toestemming vereist van de auteur.
Bovenstaand artikel is oorspronkelijk verschenen in de Gallipoli excursiegids (september 2007) uitgegeven door de Western Front Association Nederland.

  naar gallipoli pagina - naar homepage


eXTReMe Tracker