naar homepage


Hoe is men in Duitsland vanaf 1918 omgegaan met het thema 'Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog'?

Overzicht van de debatten die zijn gevoerd door vooral  Duitse auteurs over de ‘Kriegsschuldfrage’

door Hans Terpstra

Duitsland werd in het Verdrag van Versailles schuldig bevonden aan het veroorzaken van de Eerste Wereldoorlog. In dit artikel staat centraal hoe de debatten in Duitsland over de schuldvraag aangaande deze oorlog sinds 1918 zijn gevoerd.

Inhoudsopgave

Inleiding
I Ontstaan van oorlogsschuldvraag en begin van ‘schulddebatten’
II Weimar-republiek: vraagstuk oorlogsschuld en Duitse revisiebeleid
    - Werkgroep “Deutsche Verbände”: publicatiemotor van de propaganda
    - Onderzoeksinstituut: wetenschappelijke basis voor onschuld Duitsland
    - Overige opinies over het Verdrag van Versailles
    Enkele aanvullende opmerkingen over het Duitse revisiebeleid:
         - Historisch onderzoek en rol historici
         - Censuur en de rol van Buitenlandse Zaken
         - Effecten van de revisiecampagne in het buitenland
         - Effecten van de revisiecampagne in het binnenland
III Derde Rijk: geen onderzoek naar oorzaken Eerste Wereldoorlog
IV Periode 1945-1960: twee Duitslanden, twee opvattingen over oorzaken 1914
    - De DDR: marxistisch-leninistische visie op oorzaken Eerste Wereldoorlog
V Jaren zestig: nieuwe oriëntatie in onderzoek oorzaken oorlog 1914
    - De Fischer-controverse
    - Felle emotionele reacties op de bevindingen van Fischer
    - Inhoudelijke kritiek op het werk van Fischer
VI Onderzoek na de ‘Fischerdebatten’; het verloop van het onderzoek in DDR
    - Op zoek naar aanvullend bewijs
    - Andere vervolgonderzoeken
    - Ontwikkelingen in de geschiedschrijving in de DDR sinds 1960
VII Verdieping en verbreding in de Duitse geschiedschrijving over oorzaken 1914
     - De thesen van Fischer en zijn volgelingen (‘Hamburgse School’)
     - De Bielefeld School: de Duitse ‘Sonderweg’
     - Moderne stelling conservatieve historici: oorlog 1914 als defensieve oorlog
VIII Enkele conclusies na 85 jaar debat over “Oorzaken Eerste Wereldoorlog”
Naschrift
Noten
Geraadpleegde literatuur

Inleiding
De discussies over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog begonnen ruim negentig jaar geleden. Op 3 augustus 1914 publiceerde het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn haar Deutsches Weissbuch waarin verwoord haar visie op de oorzaken van de zojuist begonnen oorlog.

Overige oorlogsvoerende partijen zouden weldra met hun verklaringen volgen. Deze visies hadden in het begin van de oorlog vooral tot doel de schuld bij de vijand te leggen teneinde zowel het moraal van de eigen troepen als dat van de burgerbevolking op peil te houden.

Na de wapenstilstand van november 1918 begonnen de discussies over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog pas goed. Deze discussies zijn in de loop van de jaren vanuit drie invalshoeken gevoerd:

● De geallieerden zochten een schuldige voor de ongekende verwoestingen van de oorlog en verklaarden dat het keizerrijk de volledige schuld droeg voor het uitbreken van deze oorlog. Dit werd in het Verdrag van Versailles tot uiting gebracht en Duitsland werd verplicht alle schade toegebracht aan de geallieerde machten te compenseren.
● In Duitsland leidde nationale trots tot een algemeen gesteunde, heftige ontkenning van de aanklacht.
● In latere jaren werd een motief voor onderzoek de wens inzicht op te bouwen hoe in de toekomst voorkomen zou kunnen worden dat een conflict escaleert tot een grootschalige oorlog.

In dit artikel staat Duitsland centraal om twee redenen. Dit land werd in het Verdrag van Versailles veroordeeld voor het veroorzaken van de oorlog en gedurende decennia werd door historici binnen en buiten Duitsland, gepoogd dit beeld te corrigeren respectievelijk te bevestigen.

Centraal staat hier een beschrijving hoe de debatten over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog in Duitsland sinds 1918 gevoerd zijn. Voor een gedetailleerde beschrijving van de inhoud van de diverse oorzaken en de voorgeschiedenis van de oorlog word verwezen naar de algemene literatuur over de Eerste Wereldoorlog.1)
 
I Ontstaan van de oorlogsschuldvraag en begin van de ‘schulddebatten’
De na de vlucht van Wilhelm II gevormde voorlopige Duitse regering, had eind 1918 geen behoefte de politiek van de keizerlijke kabinetten te verdedigen. Gepoogd werd echter wel om de opname van een aanklacht van oorlogsschuld in het vredesverdrag te voorkomen. Er ontstonden twee stromingen die dit doel trachtten te bereiken.

Enkele linkse sociaal-democraten zoals Eisner en Kautsky gingen er vanuit dat Duitsland een groot aandeel had gehad in het uitbreken van de oorlog. Zij hielden een sterk pleidooi om openlijk schuld te belijden en een atmosfeer van internationale verzoening te scheppen om zodoende de leidende politici van de Entente te beïnvloeden ten gunste van het Duitse volk.

De andere stroming werd vertegenwoordigd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze stroming wilde tegenstand bieden en zodoende trachten de Entente van hun voornemen af te houden door aan te dringen op een neutrale onderzoekscommissie.

Het initiatief werd genomen door Eisner, de minister-president van de revolutionaire Beierse regering. Hij liet reeds op 23 november 1918 uittreksels verspreiden van de communicatie uit juli 1914 tussen de keizerlijke regering in Berlijn en de regering van het koninkrijk Beieren. Hieruit viel o.a. af te leiden2)dat de Duitse regering bij de regering in Wenen tot militair optreden tegen Servië had aangedrongen en bemiddelingspogingen door derde landen had laten mislukken.

Kautsky kreeg in november 1918 de opdracht van de regering de aanwezige documentatie over het uitbreken van de oorlog op volledigheid te onderzoeken en de publicatie hiervan voor te bereiden. De documenten van Kautsky zorgden voor grote opwinding vooral bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (waar de ambtelijke staf uit het keizerrijk was blijven zitten) omdat ze een ongunstig licht wierpen op de vooroorlogse Duitse politiek in de weken voor de aanslag in Sarajevo.

Hoewel Kautsky vervolgens niet vasthield aan zijn oorspronkelijke stelling dat Duitsland de oorlog systematisch had voorbereid, bleef hij wel bij zijn mening dat de Duitse machtshebbers gedurende de julicrisis verbazend lichtvaardig gehandeld hadden en daarmee de hoofdverantwoordelijkheid droegen voor het uitbreken van de oorlog.3)

Tot het begin van de schulddebatten kan ook gerekend worden de discussie in Duitsland over de instelling van een speciaal gerechtshof belast met onderzoek naar gebeurtenissen voor en tijdens de oorlog. Directe aanleiding was de reactie van generaal Ludendorff in een open brief aan minister-president Scheidemann in februari 1919 waarin hij zich nadrukkelijk distantieerde van de verantwoordelijkheid voor het wapenstilstandsverzoek van oktober 1918.

Ludendorff eiste in deze brief de instelling van een gerechtshof omdat hij zich wenste te verweren tegen een door Scheidemann in een rede geuit verwijt tegen hem.4) De instelling van een dergelijk hof stuitte op grote bezwaren bij de coalitiepartners van de SPD maar ook bij vooraanstaande Duitse juristen.

Deze laatsten waren van oordeel dat het vraagstuk van oorlogsschuld geen juridisch maar een politiek-historisch onderwerp was en zich dus niet leende voor een gerechtelijk proces. Als politiek compromis werd besloten tot de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie.

De al lopende meningsverschillen tussen de voormalig oorlogsvoerende partijen over de verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de oorlog, kreeg in het voorjaar van 1919 extra lading toen de overwinnaars een schuldaanklacht in het verdrag wilden opnemen. Aan de Duitse delegatie werd op 7 mei 1919 het concept vredesverdrag overhandigd met de verplichting binnen 15 dagen schriftelijk te reageren. Mondelinge onderhandelingen waren uitgesloten.

Er ontstond een intensieve uitwisseling van nota’s waarin vooral van Duitse zijde harde formuleringen werden gebruikt (“Notenkampf um den Frieden”).5) De vertegenwoordigers van de Entente gaven zich weinig moeite om in Versailles met bewijzen hun klacht te onderbouwen.6)

Daarom publiceerde de Duitse regering een tweede witboek met de titel Deutschland Schuldig? Het bevatte het zg. Professoren-Denkschrift ondertekend door een aantal eminente Duitse hoogleraren. Hierin werd de vooroorlogse politiek van de Entente afgekeurd en werd gevraagd om een onafhankelijk onderzoek.

Het antwoord was de zg. Mantelnota van Clemenceau van 16 juni 1919 waarin gesteld werd dat Duitsland “gedurende vele jaren, in overeenstemming met de Pruisische traditie, het overwicht in Europa had nagestreefd” en een politiek had gevoerd die gebaseerd was op “jaloezie, haat en tweedracht”.7)

Het was deze morele veroordeling van het keizerrijk waarop tijdens de Weimar-republiek het Duitse verzet tegen het verdrag van Versailles zich voor een belangrijk deel zou richten.8)

Op 22 juni 1919 nam het Duitse parlement onder druk van een geallieerd ultimatum, het vredesverdrag aan met 237 stemmen tegen 138. Hierbij werd een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt dat dit niet betekende dat hiermee de Duitse schuld aan het uitbreken van de oorlog werd erkend: de verdragsartikelen 227 tot 231 werden niet geaccepteerd.

Bij de ondertekening op 28 juni negeerden de geallieerden dit voorbehoud. In Duitsland werd dit hardvochtige verdrag daarom beschouwd als een Diktat opgelegd aan een verslagen natie door wraakzuchtige overwinnaars. Het Duitse volk voelde zich niet verslagen: Rusland was immers tot vrede gedwongen, er waren geen vreemde troepen op Duitse grond en de Duitse troepen waren niet teruggekeerd van het front alsof ze verslagen waren.

De woede van het Duitse volk is ook te begrijpen vanuit de verwachting dat het verdrag gebaseerd zou zijn op de uitgangspunten van president Wilson. Het feit dat Duitsland in maart 1918 de Russen ook een overwinnaarvrede had opgelegd, werd gemakshalve over het hoofd gezien. Met de publicatie van het Verdrag van Versailles begonnen de debatten in Duitsland over de Kriegsschuldfrage pas echt.

II Weimar-republiek: vraagstuk oorlogsschuld en Duitse revisiebeleid
Het vredesverdrag werd in Duitsland van links tot rechts als zeer meedogenloos ervaren. De overdracht van een zevende deel van het Duitse grondgebied met ongeveer tien procent van de bevolking, het verlies van de Duitse kolonies en het onder Frans toezicht plaatsen van het Saargebied werd als zeer vernederend gevoeld voor de voormalige grootmacht.

Dit gevoel verminderde zeker niet toen de geallieerden begin 1921 een lijst met ruim 850 namen van al of niet vermeende oorlogsmisdadigers aan de Duitse regering overhandigden (o.a. de namen van Hindenburg, Bethmann-Hollweg en de kroonprinsen van Pruisen en Beieren9).)

Rondweg verbijsterd werd gereageerd toen in mei 1921 bekend werd dat de Duitse regering gedwongen werd, onder bedreiging van hervatting van de oorlogshandelingen, herstelbetalingen te accepteren die vastgesteld waren op 132 miljard goudmark, te betalen over een periode van 42 jaar.

Dit alles leidde ertoe dat in de Weimar-republiek snel een brede consensus groeide over de wens dat het vredesverdrag ongeldig verklaard moest worden. Bijgevolg gold de revisiepolitiek van achtereenvolgende regeringen als gerechtvaardigd.

Al rond de jaarwisseling 1918/1919 was op initiatief van het ministerie van Buitenlandse Zaken een speciaal bureau opgericht. De opdracht van dit bureau was de in verschillende ministeries bevindende archiefstukken te verzamelen en geschikt te maken voor gebruik door de Duitse delegatie in Versailles.

Notulen van dit Spezialbüro von Bülow staven het vermoeden dat de bijeen te brengen documenten niet gericht waren op een objectief onderzoek naar de verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de oorlog, maar eerder bedoeld voor een vrijpleiten van het keizerrijk. Deze documenten vormden ook de basis van het bovengenoemde Professoren-Denkschrift.10)

Na publicatie van het vredesverdrag werd als opvolger van dit bureau door Buitenlandse Zaken het Kriegsschuldreferat in het leven geroepen waarvan de doelen waren11):
●de publieke opinie in zowel binnen- als buitenland ervan te overtuigen dat de oorlog in 1914 Duitsland opgedrongen was;
●het uitoefenen van censuur op officiële publicaties en in het bijzonder op het te publiceren werk van de parlementaire onderzoekscommissie.

Het bestaan en de doeltreffendheid van dit Referat kan volgens de historicus Geiss beschouwd worden als één van de best bewaarde staatsgeheimen van de Weimar-republiek.12)  

In dit licht is het te begrijpen dat bij voorbereidende besprekingen over de activiteiten van bovengenoemd bureau, partijvertegenwoordigers van de links liberale DDP en van de socialistische SPD buitengesloten waren.13). Maar in die periode was er geen Duitse politicus die twijfelde aan het principieel defensieve karakter van de Duitse oorlogsverklaringen gedaan in de zomer van 1914.

Mede hierdoor kon de ambtelijke staf, waarvan de medewerkers bijna zonder uitzondering nog gediend hadden onder de Keizer, ongehinderd door iedere vorm van democratische controle haar gang gaan.

Buitenlandse Zaken had in eerste instantie gehoopt met behulp van het Kriegsschuldreferat een eigen propaganda te kunnen voeren. Begin 1921 kwam men echter tot de conclusie dat de verspreide informatie niet de indruk mocht geven afkomstig te zijn van de Duitse regering.

Daartoe werden twee ‘frontorganisaties’ in het leven geroepen: de Werkgroep Deutsche Verbände en een Onderzoeksinstituut. Deze organisaties moesten naar buiten toe het beeld van onafhankelijkheid overeind houden, maar financieel en qua aansturing waren ze echter afhankelijk waren van Buitenlandse Zaken.
 
Werkgroep “Deutsche Verbände”: publicatiemotor van de propaganda
Het communicatiebeleid van Buitenlandse Zaken was erop gericht het vooroorlogse beleid van het keizerrijk te verdedigen. Om dit beleid vorm te geven werd in april 1921 de Werkgroep Deutsche Verbände opgericht.

Deze Werkgroep organiseerde het verzet tegen de grievende vrede (Schmachfrieden) als een strijd van het gehele Duitse volk. Zij deed daarbij een beroep op alle politiek-maatschappelijke groeperingen zich ‘met volledige handhaving van het eigen standpunt’ bij de Werkgroep aan te sluiten.14) In korte tijd werd een opmerkelijk succes geboekt: een jaar na de oprichting telde de Werkgroep al ca. 500 aangesloten organisaties. In 1931 zouden dat er ruim 1.700 zijn.

De aangesloten groeperingen bestreken een zeer breed front van het maatschappelijke leven: caritas verenigingen, kerkelijke organisaties, studentenverenigingen, handelsverenigingen maar ook organisaties die zich al in eerder stadium hadden georganiseerd tegen het Verdrag van Versailles. Tot deze laatste categorie behoorden bijvoorbeeld de Deutsche Schutzbund, Deutsche Frauenausschuß zur Bekämpfung der Kriegsschuldlüge en Der Volksbund Rettet die Ehre. Groepen uit de extreem rechtse hoek waren in de Werkgroep geïntegreerd maar de socialistische arbeidersbewegingen bleven min of meer op afstand.

Het zwaartepunt van de propaganda was gericht op beïnvloeding van de publieke opinie in Duitsland. Relevante publicaties werden gratis verstrekt aan journalisten, publicisten, recensenten, wetenschappers en aangesloten organisaties.15)  

In 1923 werden ca. 800.000 exemplaren van de brochure “Versailles” uitgedeeld aan leerlingen van de hoogste klassen. In studieboeken voor middelbare scholen uit de jaren twintig werd het Verdrag van Versailles verworpen met de tekst: “iedereen die op de hoogte is weet dat Duitsland absoluut onschuldig is met betrekking tot het uitbreken van de oorlog. Rusland, Frankrijk en Engeland wilden oorlog en ontketenden deze.”16)  

Daarnaast werden ongeveer 100.000 kalenders verspreid met de titel Für Freiheit und Ehre. Een record werd bereikt met de verzending van 2,5 miljoen exemplaren van de brochure Schuld am Kriege.

In 1925 werden volgens het archief van de Werkgroep 1.456 voordrachten gehouden voor scholen e.d. Ook werden tentoonstellingen georganiseerd zoals “De laster van de wereld tegen Duitsland in woord en beeld”.

In 1924 werd een lezing verzorgd via het nieuwe medium, de radio. Wat betreft de inhoud van de propaganda voor het binnenland was het zaak de aangesloten organisaties niet teleur te stellen. In de brochure Unser gutes Recht (zomer 1921) werden als eigenlijke oorzaken van de wereldoorlog vermeld het naar revanche streven van Frankrijk, het expansionisme en pan-Slavisme van Rusland en de vrees van Engeland om de heerschappij ter zee te verliezen.

In de buitenlandse propaganda werd een veel voorzichtiger toon aangeslagen. Deze propaganda had veelal als aanprijzing de Duitse export maar de verpakte boodschap was bijna altijd dat het Verdrag van Versailles onhoudbaar was.

In de periode januari – augustus 1923 werden in de Noord-Amerikaanse pers ca. 400 artikelen geplaatst waarin het Duitse oorlogsstandpunt tenminste zijdelings werd behandeld. Verder werden kranten in Europa, Azië en de Verenigde Staten maandelijks voorzien van, in de landstaal vertaalde, artikelen. In Europa werden vooral de Zuid-Europese en Scandinavische landen op deze manier bewerkt.

Onder druk van Buitenlandse Zaken werd in het propagandamateriaal elke toewijzing van schuld vermeden. De nadruk diende gelegd te worden op het afwijzen van de geallieerde stelling dat alleen Duitsland schuldig zou zijn. In plaats daarvan diende de medeverantwoordelijkheid van de Entente benadrukt te worden.

Dit beleid was mede bedoeld om de interne Duitse tegenstellingen te verbloemen waarbij in rechtse kringen met kracht de opvatting van Duitse onschuld werd verkondigd. Dit in tegenstelling tot de meerderheid van de arbeiderskringen waar de overtuiging leefde dat Duitsland medeverantwoordelijk was voor het uitbreken van de oorlog.

In het begin van de jaren dertig werd de inhoud van het materiaal van de Werkgroep steeds nationalistischer van toon. In 1931 werd op een congres van de Deutsche Verbände een besluit aangenomen waarin geëist werd het volledige recht van Duitsland op een defensiepolitiek, opschorting van de overeengekomen herstelbetalingen en teruggave van afgestane gebieden.17)
 
Onderzoeksinstituut: wetenschappelijke basis voor onschuld Duitsland
Terwijl de Werkgroep Deutsche Verbände zich richtte op de publieke opinie kreeg het eveneens in april 1921 opgerichte Instituut, waarvan de volledige naam luidde Zentralstelle für Erforschung der Kriegsursachen, tot taak de onschuld van Duitsland wetenschappelijk te funderen en zodoende een revisie van het Verdrag van Versailles te bevorderen.

Een speciale opdracht van het Instituut was het toegankelijk maken van literatuur op het gebied van het thema oorlogsschuld. Hiertoe behoorde zowel het vertalen van Duitstalige literatuur ten behoeve van geïnteresseerde buitenlanders als omgekeerd het vertalen van relevante buitenlandse literatuur in het Duits. Naar buiten toe moest het imago zijn dat het hier een wetenschappelijk onderzoekscentrum betrof maar de publicitaire activiteiten werden gecontroleerd door Buitenlandse Zaken.18)  

Het Instituut beschikte medio jaren twintig over een verscheidenheid aan internationale contacten. Hiertoe droeg zeker bij het elitaire Gesellschaft zur Erforschung der Kriegsursachen, dat in 1923 werd opgericht. Het betrof een exclusieve groep van ongeveer 70 invloedrijke persoonlijkheden die achter de schermen via hun internationale netwerken interesse kweekten voor de activiteiten van het Instituut waaronder het tijdschrift Die Kriegsschuldfrage.19)  

De feitelijke leiding van het instituut was vanaf 1921 tot 1937, toen het Instituut opgeheven werd, in handen van Alfred von Wegerer, een voormalige officier van de generale staf.

Al in juli 1919 had de Duitse regering besloten dat er als aanvulling op de (bewerkte) Kautsky documenten, Die Deutsche Dokumente zur Kriegsausbruch, een beschrijving zou komen van de wezenlijke vooroorlogse gebeurtenissen. Enerzijds om de rol van het kabinet Bethmann-Hollweg in een ander licht te plaatsen maar ook omdat de Deutsche Dokumente publicitair een mislukking was geweest: het was zelfs in neutrale landen negatief ontvangen.

Deze nieuwe beschrijving, die de titel kreeg Große Politik der Europäischen Kabinette 1871-1914, had als doel de revisiepropaganda te ondersteunen door de vooroorlogse politiek van Duitsland van blaam te zuiveren. Het project, oorspronkelijk geschat op vier maanden doorlooptijd en alleen betrekking hebbend op de periode vanaf de Balkanoorlogen van 1912/1913, liep aanzienlijk uit. Het werk, bestaande uit 40 delen, werd afgesloten in 1927.

Vertraging werd vooral veroorzaakt door onderlinge ruzies van de auteurs en door de nauwelijks verhulde curatele die Buitenlandse Zaken uitoefende. Dit laatste leidde tot weglaten van documenten waarvan ambtenaren van oordeel waren dat die politiek tegen Duitsland gebruikt konden worden.20)

Ten aanzien van de schuldvraag voor het uitbreken van de wereldoorlog werd geconcludeerd dat dit weliswaar een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid betrof van de grootmachten maar dat er toch een bijzondere verantwoordelijkheid lag bij de Entente.21)

Enkele decennia na publicatie werd duidelijk dat het omvangrijke werk enkele aanzienlijke tekortkomingen vertoonde. Cruciaal was dat alleen de archieven van Buitenlandse Zaken waren gebruikt; archieven van de rijkskanselarij en van militaire instanties waren buiten beschouwing gebleven.22)

Bovendien, gedreven door het doel van revisie van het Verdrag van Versailles, lieten de auteurs van de Große Politik opzettelijk bepaalde feiten en documenten weg. Genoemd kunnen worden de ‘blanco cheque’ van Berlijn aan Wenen van begin juli 1914 en de aantekeningen van de gesprekken in Potsdam tussen de keizer en zijn adviseurs met de Oostenrijkse vertegenwoordiging op 5 en 6 juli 1914.23)

De reacties op de publicatie van de Große Politik waren echter, vooral in neutrale landen, zeer positief. Hierdoor werd indirect druk uitgeoefend op Engeland en Frankrijk om ook hun documenten te publiceren.24)

Het ministerie van Buitenlandse Zaken kende grote waarde toe aan samenwerking van het Onderzoeksinstituut met buitenlandse wetenschappers en publicisten. Vrijwel direct na de oprichting van het Instituut hadden de Duitse ambassades en consulaten een (geheime) opdracht gekregen gerenommeerde personen op te sporen die zich interesseerden “voor Duitsland, onze politiek en huidige situatie en in het bijzonder voor het vraagstuk van onze schuld aan de oorlog”.25)

Tot de belangrijkste buitenlandse auteurs die de revisie van het vredesverdrag steunden, behoorden de Amerikanen Barnes en Fay. Beiden hadden in eerste instantie eigen, binnenlandse motieven voor hun standpunten.

Als voorstanders van een isolationistische politiek van de Verenigde Staten hadden zij achteraf twijfels over de juistheid van het besluit van de VS om zich in 1917 aan te sluiten bij de Entente. De werken van Fay en Barnes werden op kosten van Buitenlandse Zaken in het Duits en het Frans vertaald en gedistribueerd en beide auteurs werden in Berlijn uitgebreid onthaald.26)

Dat het Instituut selectief was in de samenwerking met Amerikaanse auteurs, blijkt uit de behandeling van de historica Schmitt. Haar werk werd niet in het Duits vertaald en op een suggestie van de Duitse consul in Chicago dat zij Berlijn zou bezoeken, werd door Buitenlandse Zaken negatief gereageerd.27)  
 
Overige opinies over het Verdrag van Versailles
In de jaren vijftig hebben historici de stelling verdedigd dat het niet tijdig publiceren door de Engelsen en de Fransen van hun documenten over het uitbreken van de oorlog, achteraf als een grote blunder moet worden beschouwd.

Het heeft in elk geval in de jaren twintig ertoe bijgedragen dat de kwestie van de oorlogsschuld in de Weimar-republiek een nationale obsessie werd die gedragen werd door een in dit opzicht bijna ‘nationaal eenheidsfront’.

Ministers van alle politieke partijen spraken zich bij diverse gelegenheden uit vóór revisie van het verdrag.28) Toch kende de Weimar-republiek ook enkele dissidenten die pleitten tegen revisie van het vredesverdrag.

Eén van hen was de jurist Kantorowicz die in 1923 door de parlementaire onderzoekscommissie gevraagd was onderzoek te doen naar een aantal juridische aspecten rond de oorzaken van de oorlog.

Zijn conclusie was dat de Centralen grotendeels verantwoordelijk waren voor de oorlog en dat Duitsland door zijn gedrag in de julidagen van 1914 hierin een primaire verantwoordelijkheid droeg. Publicatie van zijn bevindingen werd tegengehouden door minister van Buitenlandse Zaken Stresemann, die ook zijn benoeming tot hoogleraar blokkeerde.

Een soortgelijk lot trof de historicus Kehr die op basis van een studie over het Duitse vlootprogramma concludeerde dat Duitsland hierdoor de internationale status-quo bewust ter discussie had gesteld om de binnenlandse situatie te stabiliseren.29)  

Daarnaast kwam er van de zijde van pacifisten kritiek op de stelling van Duitse onschuld. In een klimaat van nationale verontwaardiging over de ‘schande van Versailles’, was het niet moeilijk voor publicisten die werkten onder invloed van Buitenlandse Zaken, dergelijke standpunten te belasteren. De rechtse pers beoordeelde de standpunten van een aantal pacifisten dan ook als staatsgevaarlijk.

In een aantal gevallen werd daadwerkelijke vervolging ingesteld. Hierbij bleek dat, naast de publieke opinie, ook de rechterlijke macht al in 1924 de politieke rechterzijde met meer consideratie behandelde dan de linkerzijde.30)

Enkele aanvullende opmerkingen over het Duitse revisiebeleid
 
Historisch onderzoek en rol historici
In tegenstelling tot de zestiger jaren, waarin Duitse historici het debat over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog zouden bepalen, was het onderzoek naar de oorlogsschuld in de Weimar-republiek in hoge mate een zaak van ambtelijke instanties die ressorteerden onder het ministerie van Buitenlandse zaken.

Van de zijde van de historici had men bedenkingen tegen de eenzijdige oriëntatie van het onderzoek in het vraagstuk van de oorlogsschuld. Zij kwalificeerden het onderzoek als ‘onwetenschappelijk’ omdat het morele begrip ‘schuld’ niet thuis zou horen in de woordenschat van een historicus.

Centraal in het historisch onderzoek stond niet het zonder voorbehoud zoeken naar de oorlogsoorzaken. Het door ambtelijke instanties gecontroleerde “wetenschappelijk” onderzoek werd beheerst door het zoeken naar argumenten die pasten in het doel van het onderzoek: weerleggen van de aanklacht in het vredesverdrag.31)
Volgens Herwig paste in dit ‘zoeken’ ook het op last van Buitenlandse Zaken  uit de archieven verwijderen van bezwarend materiaal door, wat hij noemt, “patriottische censors”. 32)  

Censuur en de rol van Buitenlandse Zaken
De binnen het ministerie opgerichte ambtelijke censuurautoriteit hield zich vanaf 1919 bezig met toezicht op voorgenomen publicaties over de oorlogsschuld. In het geval Kautsky leidde dat tot aanpassing van de publicatie, in het geval van Kantorowicz tot verhindering. Het over de schouder meekijken bij de Große Politik leidde ook tot gewenste aanpassingen.

Op basis van deze en andere voorbeelden kan aangetoond worden dat deze censuur meer dan marginaal verantwoordelijk gehouden kan worden voor het uitblijven van een kritische discussie over de vooroorlogse Duitse politiek. Ook het werk van de parlementaire onderzoekscommissie viel onder deze censuur.33) De leden van de commissie werd geweigerd kennis te nemen van vooroorlogse archieven.34)  

In 1931 slaagde deze autoriteit er in officiële bevindingen uit het eindrapport van de parlementaire onderzoekscommissie te blokkeren. De betreffende gedeelten zouden bezwarend materiaal bevatten aangaande de Duitse oorlogsdoelen en bovendien president Hindenburg in een kwalijk daglicht plaatsen. Als argumentatie werd gehanteerd dat de informatie “munitie was voor Duitslands voormalige vijanden”.

Op last van de voorzitter van de Rijksdag, Hermann Goering, werd de onderzoekscommissie ontbonden en alle exemplaren van het betreffende eindrapport vernietigd.35) Geiss stelt een voor de hand liggende vraag: “wijst de vernietiging van deze documenten niet op een indirecte schuldbekentenis?”36)

Natuurlijk zagen velen in Duitsland het als een plicht om het Vaterland te verdedigen tegen de aantijgingen van de geallieerden dat zij de oorlog hadden veroorzaakt.

Maar er waren er ook meer persoonlijke redenen om de oude situatie onder de vlag van de republiek te continueren. Dit gold voor degenen die een leidende functie hadden uitgeoefend in het keizerrijk en nu invloed konden uitoefenen op de revisiecampagne.

Zij konden alleen hun positie handhaven wanneer ze in staat waren aan te tonen dat de geallieerde beschuldigingen van het veroorzaken van de oorlog in 1914, op onjuiste gronden gebaseerd waren. Zo waren er dus patriottische en persoonlijke motieven om archieven geschikt te maken voor ‘politiek gebruik’.
 
Effecten van de revisiecampagne in het buitenland
Het doel van de op het buitenland gerichte campagne was bij het grote publieke twijfel te zaaien aan de “Kriegsschuldlüge”. Het succes van de campagne was in de eerste helft van de jaren twintig over het algemeen twijfelachtig. Vooral in België en in Frankrijk heerste veel wantrouwen ten opzichte van de Duitse propaganda-activiteiten.

In rechtse kringen in Frankrijk, waar men geen onderscheid wenste te maken tussen het Duitse keizerrijk en de Weimar-republiek, bleef men Duitsland als een voortdurende bedreiging van de vrede zien.

In Engeland stond de publieke opinie medio jaren twintig weliswaar niet meer achter de opvatting dat uitsluitend Duitsland verantwoordelijk was voor de oorlog. Maar de Engelse regering diende in 1927 wel een protest in bij de Duitse ambassadeur vanwege de als agressief ervaren propaganda.

De uitzondering werd gevormd door de Verenigde Staten. In het bijzonder in wetenschappelijke kringen, waar het Verdrag van Versailles intensief werd bediscussieerd, vielen de activiteiten van het Onderzoeksinstituut in goede aarde. In deze kringen werd artikel 231 als historisch bedrog ervaren. De dagbladen in de VS besteedden echter weinig aandacht aan de materie.37)  

Desondanks kreeg de revisionistische interpretatie in veel landen in de tweede helft van de jaren twintig en de jaren dertig de overhand. De nadruk werd nu meer gelegd op een collectieve verantwoordelijkheid dan op de schuld van één natie. Deze gegroeide consensus was zeker mede het resultaat van de Duitse revisiecampagne.
 
Effecten van de revisiecampagne in het binnenland
Ondanks de naar buiten toe voorzichtige revisiepolitiek van de Weimar-regeringen, gekenmerkt door de Verständigungspolitik van minister Stresemann, was de campagne in zoverre succesvol dat nagenoeg alle politiek-maatschappelijke groeperingen in Duitsland gemobiliseerd werden tegen het verdrag van Versailles.

Het Duitse protest kreeg een emotionele lading wat echter een kritische discussie over de revisiepolitiek bijna onmogelijk maakte. Ontkenning van nagenoeg elke schuld van het keizerlijke Duitsland was hiervan het gevolg. Dit leidde vervolgens tot idealisering van de jongste Duitse geschiedenis.

Hier ligt ook één van de logische redenen dat de horizon van nagenoeg alle politieke partijen, ook de SPD, in het verleden lag. Op grond van de algemene fixatie op dit verleden ging de Duitse revisiepolitiek steeds meer hand in hand met de wens naar binnenlandse restauratie.

Deze in het begin van de dertiger jaren sterker wordende wens tezamen met de economische depressie en een slecht functionerend politiek systeem, leidde in begin 1933 tot de ondergang van de Weimar-republiek. Dit gebeurde paradoxaal genoeg nadat de feitelijke afhankelijkheid van Versailles en van het Westen eigenlijk al verleden tijd was.38)
 
III Tijdens Derde Rijk: geen onderzoek naar oorzaken Eerste Wereldoorlog
In de jaren dertig deelden historici de mening dat het onderzoek in de jaren daaraan voorafgaand, de oorzaken van de oorlog van 1914 zo goed als volledig had opgehelderd. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van de grootmachten veroorzaakt door geheime, ‘ouderwetse’ diplomatie en het daarop gebaseerde systeem van allianties, was een consensus waar verreweg de meeste Duitsers mee konden leven.

Na de machtsovername door Hitler werd de geschiedschrijving een zaak van nationaal-socialistische publicisten. Om het nieuwe machts- en expansiebeleid een historische legitimatie te geven, werd de buitenlandse politiek van Wilhelm II niet een gebrek aan wilskracht verweten maar gelaakt om het te late besluit ten oorlog te trekken.39) Op 30 januari 1937 herriep Hitler formeel de ondertekening van het Verdrag van Versailles. Het buitenland sloeg er nauwelijks acht op.

Het onderzoeksinstituut bleef tot aan de machtsovername met een vanouds beproefde, maar kleine kern van auteurs werken. Na 1933 bleken echter de meestal linksgeoriënteerde buitenlanders niet langer bereid te zijn hun bijdragen te leveren.
Ook het aantal abonnementen liep sterk terug van enkele duizenden rond 1930 tot maar een paar honderd na 1933.

Het Instituut werd, evenals de Werkgroep Deutsche Verbände, opgeheven in januari 1937. Het tijdschrift Die Kriegsschuldfrage dat in 1929 omgedoopt was in Berliner Monatshefte, zou tot 1944 blijven verschijnen.
 
IV Periode 1945-1960:
Twee Duitslanden - twee opvattingen over oorzaken van de oorlog van 1914

Er bestond een opvallende continuïteit tussen de historici die tijdens het Derde Rijk de universiteiten en aanverwante instituten hadden bevolkt en de historici die na 1945 daar werkten. Omdat de in 1933 geëmigreerde links-liberale en socialistische historici uit de Weimar-periode nauwelijks terugkeerden, in tegenstelling tot enkele conservatieve historici, hadden de nationaal-conservatieve historici ‘het rijk alleen’ voor zover het West-Duitsland betrof.

Na de Tweede Wereldoorlog werden deze historici geconfronteerd met een diepe identiteitscrisis. Aanleiding hiervoor waren niet alleen de nederlaag en de pijnlijke confrontatie met de begane misdaden, maar ook de kritiek van buitenlandse historici.

Deze interpreteerden het Derde Rijk als het resultaat van een aaneenschakeling van vergissingen in de Duitse geschiedenis: “van Luther over Frederik de Grote via Bismarck naar het fascisme”.

Omdat de schuld voor de Tweede Wereldoorlog wèl vaststond, werd het door Duitse historici des te belangrijker gevonden te blijven benadrukken dat Duitsland niet de oorlog van 1914 had veroorzaakt.

De historicus Ritter, in 1949 gekozen tot eerste voorzitter van de nieuwe Duitse Historische vereniging, refereerde in zijn openingsrede aan het wereldsucces waartoe de strijd in de Weimar-republiek, om de zogenaamde oorlogsschuldvraag, had geleid.40)

Historici en publicisten konden dus voortbouwen op de comfortabele, tegenstellingen verbloemende consensus uit de jaren dertig van de ‘gezamenlijke verantwoordelijkheid van de grootmachten’.

In West-Duitsland werd deze leer gecombineerd met de stelling dat het nationaal-socialisme als een breuk - discontinuïteit - in de geschiedenis van Duitsland moest worden beschouwd. De oorzaken hiervan zouden geen specifiek Duitse maar Europese oorsprong hebben: “de Franse en industriële revolutie zouden de ontworteling van de volkeren hebben veroorzaakt die vervolgens in de politieke arena waren opgerukt”.41)

Het is te begrijpen dat er gedurende de eerste jaren na 1945 weinig animo was het onderzoek naar de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog te hervatten. Bovendien was archiefonderzoek tot 1956 praktisch onmogelijk omdat de geallieerden toen pas de in beslag genomen documenten teruggaven.

Ook de aanbeveling die in 1951 werd gedaan tijdens de bijeenkomst van Duitse en Franse historici om in schoolboeken van beide landen de leer van de ‘gezamenlijke verantwoordelijkheid’ uit te dragen, gaf aan dat men in kringen van historici meende dat de discussie over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog een gelopen zaak was. 42)

Toch waren er ook andere geluiden. De Duitse wetenschapper Dehio stelde begin van de vijftiger jaren dat beide wereldoorlogen veroorzaakt waren door het Pruisische militarisme: “het waren twee akten uit één drama”.

Zijn argumentatie, waarbij hij de Duitse besluitvorming in 1914 uitlegde in termen van buitenlands beleid, was een stimulans voor de Hamburgse historicus Fischer, zich te verdiepen in het Duitse beleid voor en gedurende de Eerste Wereldoorlog.

Toen de bijdragen van Dehio een te kritische vorm aannamen, werden zijn artikelen voor het Historische Zeitschrift gecensureerd!43)

In Italië was al in 1942 het werk van Albertini verschenen waarvan begin vijftiger jaren een Engelstalige versie verscheen The Origins of the First World War. Albertini wees Duitsland aan als de hoofdverantwoordelijke voor het uitbreken van de oorlog hoewel hij ook de Entente niet geheel vrijpleitte. Hoewel het werk dus bekend was in de jaren vijftig en gebaseerd op veel nieuwe documenten, zou het pas in de jaren zestig echt aandacht krijgen in Duitsland.44)  Het meest intrigerende andere geluid kwam echter uit het andere deel van Duitsland: uit de DDR.
 
De DDR: marxistisch-leninistische visie op oorzaken Eerste Wereldoorlog
In tegenstelling tot West-Duitsland leidde de verandering van politiek en maatschappelijk bestel in de Sovjet bezettingszone, en later in de DDR, tot radicale heroriëntering in de geschiedschrijving.

De historici in de DDR hebben getracht de stelling “er is een continue lijn van de Pruisische staat naar het Keizerrijk en vervolgens via het Derde Rijk naar de Bondsrepubliek”, te onderbouwen.

Hierbij week men doelbewust af van de interpretatie van Lenin over de Eerste Wereldoorlog die van oordeel was dat de oorlog een veroveringsoorlog was geweest die de Europese grootmachten onderling hadden gevoerd.

De Oost-Duitse historici hielden met taaiheid vast aan de bijzondere verantwoordelijkheid van het militarisme en het grootkapitaal van het Duitse Rijk. Op deze manier kon men zich onderscheiden van West-Duitsland want daar was immers het kapitalistische grootkapitaal en het militarisme (lid van de NAVO in 1955) nog steeds aanwezig.

In de officiële visie van de Oost-Duitse partij (de SED) had het militarisme in de geschiedenis een belangrijke rol gespeeld bij de onderdrukking van de arbeiders teneinde de belangen van het grootkapitaal te verdedigen. In deze visie paste het ook om de SED in een traditie te plaatsen waarbij deze partij de legitieme opvolger was van de antimilitaristische linkervleugel van de toenmalige SPD die als exponent werd gezien van de strijd tegen het militarisme.

De ‘controverse’ die tussen de marxistische historici onderling gevoerd werd ging over de vraag wie in 1914 de toenmalige keizerlijke regering medewerking had toegezegd: de partijleiding van de SPD of de arbeidersbeweging? Opmerkelijk genoeg werd deze discussie ook gevoerd in de partijkrant van de DDR.45)  
 
V De jaren zestig:
een nieuwe oriëntatie in het onderzoek naar oorzaken van de oorlog in 1914

Eind van de jaren vijftig leek het alsof het thema ‘oorzaken van de eerste wereldoorlog’ als geschiedenis beschouwd kon worden. De historicus Hubatsch stelde in 1955 met veel zelfvertrouwen: “de periode 1914-1918 is meer gedegen onderzocht dan bijna elk ander tijdvak. De historicus heeft hier vaste grond onder de voeten”. Ritter had al eerder gesteld dat de vredelievendheid van het Duitse keizerrijk niet meer bewezen hoefde te worden: “de onvoorwaardelijke openbaarmaking van de diplomatieke archieven had dat aangetoond”.46) De bovengenoemde ‘andere geluiden’ van o.a. Albertini waren kennelijk van onbetekende buitenstaanders.
 
De Fischer-controverse
In deze context brandde er begin jaren zestig een uitgebreid historisch debat los, de zg. Fischer-controverse. Fischer bracht met zijn boek Griff nach der Weltmacht (1961), later aangevuld met Krieg der Illusionen (1969) een historiografische revolutie teweeg.

Hij bracht nieuw feitenmateriaal boven tafel rond het uitbreken van de oorlog in 1914. Op basis hiervan stelde hij dat Duitsland voor een aanzienlijk deel de historische verantwoordelijkheid droeg voor het uitbreken van deze oorlog.

De emoties liepen vooral zo hoog op omdat een ‘insider’, de Hamburgse hoogleraar Fischer, een nationaal taboe doorbrak. Zijn uitgebreid onderzoek van nieuwe documenten, o.a. uit Oost-Duitse archieven, bracht hem ertoe te stellen dat de Duitse leiders in 1914 doelbewust een Europese oorlog hadden geriskeerd.

Als exponenten van de Duitse oorlogspolitiek in 1914 bestempelde Fischer de rijkskanselier Bethmann-Hollweg en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit risicovolle gedrag paste naar zijn oordeel ook in een al voor juli 1914 bewust nagestreefde politiek die erop gericht was de hegemonie in Europa te verkrijgen.

Daarnaast bestond er volgens Fischer een rechte lijn (Kontinuitätslinie) tussen de doeleinden van de oorlog van 1914 (September-memorandum) en de latere agressieve buitenlandse politiek van Hitler.

Kenmerkend voor de benadering van Fischer was dat hij de gebruikelijke betrekkingen tussen staten niet meer centraal stelde. De sociale en politieke structuur van het keizerrijk werd door Fischer sterk benadrukt als oorzaak van de oorlog. De industriëlen wilden grondstoffen en dus hun economische macht in Europa uitbreiden. De antidemocratische en antimoderne Junkers waren bang hun sociale positie te verliezen en kozen voor oorlog om de aandacht van binnenlandse maatschappelijke conflicten af te leiden en zodoende hun macht te consolideren.
 
Felle emotionele reacties op de bevindingen van Fischer
Op bovenstaande benadering van Fischer, in overeenstemming met de onderzoeksresultaten van Albertini en Schmitt,47) werd door tegenstanders in eerste instantie zeer fel gereageerd.

De emoties kwamen tot uitdrukking in de persoonlijke verwijten gericht aan het adres van Fischer: hij zou zich laten hebben laten gebruiken door de DDR (hij had als eerste toegang gekregen tot Oost-Duitse archieven); hij zou marxist zijn (vandaar zijn belangstelling voor de ‘oorlogsdoelen’ van industriëlen); hij zou zich teveel hebben laten leiden door zijn theologische achtergrond en wilde op deze manier verzoening bereiken. Conservatieve collega’s weigerden zelfs hem de hand te schudden op een internationale bijeenkomst van historici.

Ook in de pers en in de politiek werd aan Griff nach der Weltmacht uitgebreid aandacht gegeven. In het bijzonder politici uit CDU/CSU kringen waren niet erg gecharmeerd van Fischers interpretatie van de Duitse geschiedenis waarvan men wist dat historici uit de DDR die ondersteunden.48)  

Franz Josef Strauss eiste in 1965 dat de bondsregering “met alle beschikbare middelen zou optreden tegen een dergelijke vertekening van de Duitse geschiedenis”.49)

De toenmalige bondsregering deelde de zorgen van de CSU. Al in 1964 had het ministerie van Buitenlandse Zaken, op advies van een aantal prominente conservatieve historici, de aan Fischer toegezegde beurs voor een studiereis naar de VS ingetrokken.50)

De reactie van deze politici moet ook gezien worden in het licht van twee processen die in die periode veel aandacht kregen in de wereldpers: het Eichmann-proces in 1962 en het proces tegen de Auschwitz kampbeulen in 1963.
 
Inhoudelijke kritiek op het werk van Fischer
Naast emotionele reacties op het werk van Fischer was er ook inhoudelijke kritiek van o.a. Ritter, Golo Mann en Wolfgang Mommsen. Zij meenden dat Fischer op basis van alleen Duitse documenten niet deze conclusies had mogen trekken.

Het centrale thema in Griff nach der Weltmacht was het September-programma. Dit programma, gedateerd 9 september 1914, bevatte als Duitse oorlogsdoelen een douane-unie, in Midden- en West-Europa ter realisatie van de Duitse economische hegemonie en Duitse koloniën in Afrika. Critici van Fischer waren van oordeel dat deze eisen slechts een onderhandelingsagenda vormden en niet zo expansief bedoeld waren als Fischer beweerde.

Bovendien had hij niet aangetoond dat deze eisen dateerden van voor de oorlog. In Krieg der Illusionen was een sleutelonderwerp het zg. oorlogsberaad van december 1912 waar aanwezig waren Wilhelm II en de militaire top. Fischer concludeerde uit persoonlijke aantekeningen van admiraal von Müller dat tijdens dit beraad het besluit tot oorlog genomen was.

Hieraan verbond hij het bewijs van de vroegtijdige oorlogszuchtige bedoelingen van het keizerrijk. Hoewel er in 1977 nog aanvullende documenten door Röhl gepubliceerd werden over dit beraad51), hebben veel historici nog steeds twijfel over de juistheid van de interpretatie van Fischer op dit punt.

De reacties van veel critici hadden gemeen dat zij voortkwamen uit de nationalistische instelling van vooral de oudere conservatieve historici. Zij waren van oordeel dat, evenals in de Weimar tijd, ook in het begin van de jaren zestig van historici verwacht mocht worden dat zij het ‘nationale belang’ zouden nastreven.

Vooral de historicus Ritter, die zich tijdens de Weimar-republiek intensief met de schuldvraagdiscussie had bezig gehouden, voelde zich door Fischer aangevallen. Naar zijn oordeel paste het werk van Fischer in de “politiekhistorische mode van onze dagen om zich af te sluiten voor onze geschiedenis”.52)

Fischer liet zich door de kritiek niet weerhouden. In 1965 ging hij nog een stap verder. In zijn boek Weltmacht oder Niedergang was de conclusie “dat in juli 1914 de wil tot oorlog voeren alleen aan Duitse zijde bestond”. 53)

Een ommekeer bracht de Berlijnse Historikertag teweeg waar het onderwerp medio jaren zestig werd bediscussieerd. Tot die tijd waren de uitkomsten van het onderzoek van Fischer door de historici in de Bondsrepubliek grotendeels scherp afgewezen.

Na deze bijeenkomst veranderde het debat van toon en stijl. Afgezien van een kleine minderheid waaronder Ritter, die vasthield aan de stelling van “onschuld” zoals uit het onderzoek uit de jaren twintig zou zijn gebleken, was het merendeel van zijn Duitse collega’s tenminste gedeeltelijk overtuigd door de argumenten van Fischer.

Zelfs vroegere ‘hardliners’ ontkenden niet meer dat Duitsland in juli 1914 een zware verantwoordelijkheid op zich geladen had.54) De ‘blanco cheque’ van Duitsland aan Oostenrijk/Hongarije had als ontsteking gewerkt die de Eerste Wereldoorlog had veroorzaakt.

Wel bleef men bij de verklaring dat Duitsland een preventieve oorlog had willen voeren om het machtsevenwicht te bewaren. Maar onder de generatie jongere historici groeide de bereidheid om het tot dan toe gehanteerde geschiedenisbeeld over de periode voor de Eerste Wereldoorlog, aan een kritische herziening te onderwerpen.

Hoewel het oorspronkelijke beeld van Fischer van een kurvenlosen Einbahnstraße waarlangs het keizerrijk op de oorlog van 1914 had aangestuurd niet overeind bleef, is het de nagenoeg onomstreden verdienste van Fischer dat hij een fundamentele herbezinning van het Duitse geschiedenisbeeld van het uitbreken van de oorlog in 1914 heeft bereikt.

Het tot dan toe in het geschiedenisonderzoek taai vastgehouden taboe van het door de oorlog verraste Duitse Rijk werd in het begin van de zeventiger jaren beschouwd als definitief achterhaald.55)  

Geiss meende dat de belangrijke rol van Duitsland in 1914 nu wel vaststond56) en dat de discussie over de oorzaken van de oorlog dus een gelopen zaak was maar dat zou een onjuiste conclusie blijken. Inhoudelijke instemming kreeg Fischer vooral van buitenlandse collega’s zoals Joll en Röhl.

Historici uit de DDR namen een ambivalente houding aan tegenover Fischer en zijn aanhangers. Zij verdedigden zijn stelling met betrekking tot de actieve rol van de Duitse regering bij het ontstaan van de oorlog in 1914 en de continuïteit in het Duitse streven naar Europese hegemonie vanaf de Eerste Wereldoorlog. Echter, de DDR historici verweten Fischer dat hij het grootkapitaal bij het uitbreken van de oorlog meer verantwoordelijkheid had moeten toekennen en dat hij de linkse krachten tegen het Duitse imperialisme onvoldoende belicht had.57)
 
VI Historisch onderzoek geïnitieerd door de ‘Fischerdebatten’;
         het verloop van het  onderzoek in de DDR

Hoewel het merendeel van de historici niet overtuigd was door Fischers stelling over de Duitse oorlogsplanning sinds december 1912, bestond er onder zijn collega’s waardering en bewondering voor zijn werkwijze. Hij was er in geslaagd een indrukwekkende hoeveelheid nieuwe, primaire bronnen aan te boren op basis waarvan hij zijn collega’s had geconfronteerd met onverwachte stellingen.
 
Op zoek naar aanvullend bewijs
Geïmponeerd door de invloed van tot dan toe onbekend feitenmateriaal, probeerde een aantal historici en publicisten inzage te krijgen in dagboeken en persoonlijke papieren van leidinggevende personen uit het voormalige keizerrijk. Herwig beschrijft de vergeefse pogingen kennis te nemen van de persoonlijke documenten van von Hindenburg, von Moltke en Ludendorff.

Van de laatste twee waren anno 2.000 nog persoonlijke documenten in het bezit van de betrokken families maar deze zouden volgens de familieleden “geen informatie meer bevatten met betrekking tot de vooroorlogse periode of de oorlog zelf”.58)  

Een ander persoonlijk document dat al een rol speelde tijdens de Fischer-controverse, was het dagboek van Riezler, de privé-secretaris van Bethmann-Hollweg.

Een door de conservatieve historicus Erdmann bewerkte uitgave (1972), werd door tegenstanders van Fischer gebruikt als belangrijk argument om zijn stelling, dat Duitsland in 1914 weloverwogen op een oorlog had aangestuurd, te betwisten.

Een aantal jaren na publicatie werd Erdmann door de historicus Sösemann beticht van het opzettelijk weglaten van essentiële informatie uit het dagboek uit de periode 1907-1914.

Bovendien had Sösemann geconstateerd dat het uitgegeven dagboek met betrekking tot de essentiële periode juli/augustus 1914 een afwijkend handschrift en lay-out vertoonde. Het beeld ontstond dat Riezler zijn oorspronkelijk dagboek (gedeeltelijk) had herschreven of dat er na zijn dood veranderingen waren aangebracht.59)

De discussie hierover duurde lang: in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van zowel 4 november 1999 als van 14 maart 2001 werd het debat hierover nog steeds gevoerd.

Het dagboek van de voormalige hoofdredacteur van het Berliner Tageblatt, Wolff, was veel minder controversieel. Zijn dagboek, gepubliceerd in 1984, bevatte verslagen van openhartige privé-gesprekken uit de periode 1914-1919 met veel invloedrijke politici waaronder kanselier Bethmann-Hollweg en Jagow (minister van Buitenlandse Zaken in 1914) en diverse goed geïnformeerde topambtenaren en (voormalige) ambassadeurs.

De gesprekken gingen over het onderwerp dat Wolff bezighield: de rol van Duitsland in de gebeurtenissen die tot de oorlog geleid hadden. Dit dagboek suggereert dat de algemene opvatting onder zijn gesprekspartners was dat Buitenlandse Zaken de oorlog veroorzaakt had, zij het wellicht meer per ongeluk dan met opzet.60)
 
Andere vervolgonderzoeken
Andere onderzoeken waren gerelateerd aan de stellingen van Fischer over de annexatiepolitiek van het keizerrijk. In de jaren zestig en zeventig verschenen er diverse studies over de Duitse bezetting in België, Polen, de Baltische Staten en de Oekraïne. Accent hierin lag op onderzoek in hoeverre het Duitse beleid in het betreffende gebied erop gericht was geweest te komen tot een duurzame oriëntatie op het Duitse rijk.61)

Daarnaast kreeg een aantal collega’s van Fischer, mede beïnvloed door zijn werkwijze, oog voor andere benaderingen naast de ‘klassieke’ historische wetenschap. Gesteund door Amerikaanse wetenschappers op het gebied van conflictbeheersing paste men deëscalatiemodellen toe op ‘de uitgangssituatie van 1914’. Deze onderzoeken moet gezien worden in het tijdperk van de koude oorlog met de ‘atoompatstelling’ en het trachten te voorkomen van een derde wereldoorlog.

De historicus Berghahn heeft deze conflicttheorie toepasbaar gemaakt op de vooroorlogse vlootpolitiek van Tirpitz. Hij vond met behulp hiervan ondersteuning van zijn stelling dat de vlootpolitiek was te interpreteren als een instrument om de bevoorrechte positie van de heersende klasse te handhaven.62) Overigens lijkt deze benadering van experts op het gebied van ‘conflict en escalatie’ verder in Duitsland weinig school gemaakt te hebben.
 
Ontwikkelingen in de geschiedschrijving in de DDR sinds 1960
De DDR historici hadden met name na de bouw van de muur (1961) de opdracht van de partijleiding een scherpere ideologische afbakening met de Bondsrepubliek tot stand te brengen, ook in het historisch onderzoek naar de voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Bij deze onderzoeken knoopten de historici aan bij de resultaten van Fischer en probeerden deze in marxistische zin verder te ontwikkelen.

In het middelpunt van hun belangstelling stond de relatie tussen het ‘grootkapitaal’ (de zware industrie en de banken), de staat en het door Duitsland gevoerde beleid voor 1914. Zij poogden aan te tonen dat de oorlogsdoelen hun oorsprong uitsluitend vonden in de belangen van het ‘grootkapitaal’.63) Op dit punt verschilden zij dus met Fischer die de oorlogsdoelen relateerde aan het gevoerde politieke beleid.
 
VII Verdieping en verbreding in de Duitse geschiedschrijving over
          de Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog

Tegen het eind van de jaren zestig begonnen vooral jonge historici nieuwe wegen te bewandelen in de geschiedschrijving. Zij verzetten zich, passend in het beeld van die tijd, tegen het enge geschiedenisbegrip dat vooral uitging van politieke geschiedenis en waarbij in de regel de staat als belangrijkste acteur van gebeurtenissen in het verleden werd beschouwd. Daarom pleitten zij voor een meer integrale benadering van de geschiedenis waarbij ook sociale en economische ontwikkelingen in de samenleving betrokken worden.

Ook historici die zich bezighielden met de geschiedenis naar de oorzaken van de oorlog in 1914, werden door deze algemene trend beïnvloed. Berghahn en Mommsen hadden bovendien als overtuiging dat de tijdens de Fischer-controverse opgeroepen vragen, niet door bestudering van nieuwe documenten beantwoord konden worden.64) Zij werden de duidelijkste pleiters voor een principieel nieuwe benadering van het onderzoek naar de voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.

Rond het begin van de jaren zeventig ontstond er een generatie historici voor wie de Eerste Wereldoorlog geen onderdeel meer uitmaakte van hun persoonlijke geschiedenis. Zij waren daarom in staat het debat over de oorzaken van de oorlog in 1914 minder emotioneel en meer afstandelijk te voeren.

Geobsedeerd door de gebeurtenissen in de Duitse geschiedenis van de 20e eeuw begonnen zij zich niet alleen af te vragen ‘wat’ de gebeurtenissen waren geweest maar vooral ‘waarom’ deze hadden plaatsgevonden.

Bovenstaande nieuwe elementen, vernieuwing in het vak geschiedschrijving, toegepast op het onderzoek naar de oorzaken van de oorlog in 1914 en gedeeltelijk uitgevoerd door jongere historici, leidden in de loop van de jaren zeventig en tachtig tot drie verschillende interpretaties over het thema ‘oorzaken van de Eerste Wereldoorlog’.
 
De thesen van Fischer en zijn volgelingen (‘Hamburgse School’)
De centrale these luidde dat de Duitse politieke en militaire top vanaf 1912 doelbewust een buitenlands beleid had gevoerd om door middel van een oorlog de Europese hegemonie te verwerven.

Daarnaast werd gesteld dat de overeenkomsten tussen de Duitse plannen in de Eerste en Tweede Wereldoorlog groot waren. In de argumentatie werd een verband gelegd tussen de politieke en sociaal-economische Duitse geschiedenis van voor 1914.

Hoewel een aantal van de thesen van deze school ook nu nog controversieel zijn, is het de gangbare opinie van historici dat Duitsland feitelijk meer risico heeft genomen in 1914 dan andere betrokken staten.65)
 
De Bielefeld School: de Duitse Sonderweg
Het vernieuwende onderzoek van deze school richtte zich op o.a. de invloed van industriële en agrarische belangengroepen op de binnenlandse en buitenlandse politiek van het keizerrijk.

De leiders van deze school, Wehler en Kocka, beoogden een methodologische vernieuwing van de Duitse geschiedschrijving en een sociaal-economische herinterpretatie van de Duitse politiek rond de eeuwwende. Een en ander is uitgewerkt in Das Deutsche Kaiserreich 1871-1918.

Een belangrijke conclusie van dit werk was dat de problemen van het keizerrijk voortkwamen uit de discrepantie tussen de moderne economie en een achtergebleven politiek systeem waarin parlementaire democratie geen echte plaats gekregen had. Dit in tegenstelling tot hetgeen in andere Midden- en West-Europese landen in de 19e eeuw had plaatsgevonden.

Door deze specifieke Duitse ontwikkeling, de Duitse Sonderweg, werd er een directe lijn gedefinieerd van het Duitse keizerrijk naar de Eerste (en Tweede) Wereldoorlog.66)

De schuld hiervan werd gelegd bij de conservatieve Pruisische elite die sleutelposities innamen in het bestuur, het leger, de bureaucratie en de diplomatieke dienst en die op die manier de democratisering zouden hebben geblokkeerd.

Met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog concludeert Wehler dat de Duitse regering in 1914 geen andere weg zag dan “een wanhopige vlucht voorwaarts”, weg van de binnenlandse problematiek.

Het boek van Wehler Das Deutsche Kaiserreich, waarin hij dit verder uitwerkt veroorzaakte bij verschijnen, medio jaren zeventig, heftige discussies. Dit hoewel hij, in tegenstelling tot Fischer, de langere termijn opzet van Duitsland om oorlog te voeren, verwierp.67)

NB. Verschillende elementen van de Sonderweg-these zijn de afgelopen jaren in een vergelijkend Europees kader onderzocht. Kocka en Wehler hebben op basis hiervan een voorlopige conclusie getrokken dat de Duitse burgerij en adel minder bijzonder waren dan lang is verondersteld. Wehler blijft echter bij zijn stelling dat het sleutelprobleem van het Duitse keizerrijk was dat de politieke modernisering door voorburgerlijke machtselites was tegengehouden.68)
 
De moderne stelling van conservatieve historici:
     oorlog 1914 als defensieve oorlog

Conservatieve historici als Erdmann en Zechlin erkenden in het begin van de jaren tachtig dat de Hamburgse school terecht het grote aandeel van Duitsland benadrukte in het uitbreken van de oorlog in 1914.

Hun interpretatie was dat desondanks het Duitse beleid van 1914 als ‘defensief’ bestempeld moest worden en dat dit in de leer van bovengenoemde scholen onvoldoende gebeurde. Eén van de argumenten die hiervoor aangevoerd werd was de bijzondere geografische ligging van Duitsland midden in Europa.

In het begin van de 20e eeuw had Duitsland negen buurlanden die met argusogen keken naar de nieuwe machtige Duitse staat. Deze Mittellage bracht voor Duitsland het probleem met zich mee in de buitenlandse politiek te kiezen voor of tegen het Westen en voor of tegen het Oosten of tegen beide. Zowel vanuit het Oosten als vanuit het Westen dreigde gevaar.

De historicus Stürmer verwoordde de consequentie hiervan als volgt: “het Duitse volk gesitueerd in het strategische midden van Europa (..) had een sterke natiestaat nodig als waarborg tegen toekomstige invasies”.69)  

Schöllgen komt op basis van de positie van Duitsland als grootmacht gecombineerd met een kwetsbare geografische positie temidden van andere grootmachten, tot de conclusie dat het keizerrijk in 1914 geen ander beleid had kunnen voeren dan het beleid van het nemen van een gecalculeerd risico.70)  

In deze visie werden de oorzaken van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog dus niet meer verbonden aan foutief beleid van de toenmalige Duitse regering of aan tekortkomingen in de politiek-sociale structuur van het keizerrijk.

De ‘stelling van een defensieve oorlog’ werd in de tweede helft van de jaren tachtig indirect ondersteund door een groeiend nationalisme in conservatieve West-Duitse kringen.

In 1986 brandde de Historikerstreit los die overigens primair over het Derde Rijk handelde. In heftige debatten hierover werd door conservatieve historici een sterk pleidooi gevoerd gepaste trots te tonen op het Duitse nationale verleden en “negatief nationalisme” te vermijden.71)

Fulbrook beschrijft in haar artikel72) hoe bondskanselier Kohl, ondersteund door conservatieve historici, in dezelfde periode zich inzette voor “normalisering van het Duitse verleden en het creëren van een nieuwe nationale identiteit”. Dit gebeurde o.a. door “voorlichting en herinterpretatie van het verleden op tentoonstellingen, musea en in boeken”.

Na de hereniging van beide Duitslanden en de daarmee samengaande herleving van het nationalisme in Oost-Europa, kunnen conservatieve historici erop wijzen dat bovengenoemde Mittellage-argumentatie nog steeds een factor is in de Duitse situatie.
 
VIII Enkele conclusies na 85 jaar debat over "Oorzaken Eerste Wereldoorlog"
Onderstaand enkele aspecten uit de hedendaagse Duitse literatuur over de Eerste Wereldoorlog die een stand van zaken beschrijven na ruim 85 jaar onderzoek en discussies over bovengenoemd thema.

●Na emotionele discussies gedurende het interbellum en de jaren zestig over het al of niet geheel ontkennen van de Duitse schuld aan het uitbreken van de oorlog, werd de discussie vanaf medio jaren zeventig veel zakelijker gevoerd waarbij aandacht besteed werd aan mogelijk fundamentele oorzaken van het uitbreken van de oorlog. Zowel de historicus Schulin in 1996 als Kracht in 2004 stellen dat de oorlogsschuldvraag nauwelijks meer speelt.73)  

●Tot en met de jaren zestig was het onderzoek naar de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog vooral een geschiedenis van politieke en militaire verhoudingen tussen staten en van de rol van beleidsmakers hierin. Vanaf de jaren zeventig is de aandacht verschoven naar sociale en economische vraagstukken. In meer recente overzichtsboeken over de Eerste Wereldoorlog vindt men nu thema’s gewijd aan het dagelijkse leven en culturele aspecten.

Berghahn zegt hierover: “we bestuderen in de geschiedenis over de oorlog van 1914-1918 nu thema’s waaraan 40 jaar geleden niemand dacht”. In zijn boek Der Erste Weltkrieg (2004), in het gelijknamige boek van Wolfgang Mommsen, dat in hetzelfde jaar verscheen en in Der Erste Weltkrieg, Wirkung-Wahrnehmung-Aanalyse (1996) van Michalka vindt men een scala van bedoelde thema’s. Opvallend is dat naast deze maatschappelijke onderwerpen de afgelopen jaren opnieuw publicaties verschenen zijn over beleidsmakers als von Falkenhayn, von Moltke en ook over Wilhelm II.

●De rol van de politiek is opvallend in de discussies over hoe Duitsland met het thema “Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog” is omgegaan. Tijdens de Weimar-republiek beïnvloedde het ministerie van Buitenlandse Zaken in vergaande mate de geschiedschrijving. Tijdens de Fischer-controverse verzaakte de West-Duitse regering haar onafhankelijke positie tegenover de geschiedschrijving terwijl de, eveneens conservatieve, regering Kohl rond 1990 een mening formuleerde over het ‘gewenste beeld van het Duitse verleden’.

Eén van de open vragen is of het geschiedenisonderzoek van de Eerste Wereldoorlog in Duitsland al tot de historie gerekend moet worden of dat het nog tot de hedendaagse geschiedenis behoort. De verleiding is aanwezig om nu, in analogie met Hubatsch begin jaren vijftig evenals Geiss in de jaren zeventig, te constateren dat de discussies over het thema “Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog” gesloten kunnen worden. Maar het feit dat het afgelopen decennium er per jaar gemiddeld 150 nieuwe publicaties in Duitsland verschenen over de Eerste Wereldoorlog74) geeft aan dat er voor dit onderwerp in Duitsland nog steeds grote belangstelling bestaat.

Naschrift
Toen deze studie al in een vergevorderd stadium verkeerde, verscheen het artikel van B. Schot in ‘Leidschrift’ van december 2005 getiteld “Wie had er schuld aan de Eerste Wereldoorlog?” Dit artikel behandelt het debat in Duitsland over de oorlogsschuldvraag vanaf 1918 tot de val van de Muur in 1989. Hoewel op sommige punten inhoudelijke overeenkomsten bestaan, geeft het verschil in gebruikte bronnen aanleiding tot de conclusie dat de artikelen als onderling aanvullend kunnen worden beschouwd.
 
Noten
[1] Genoemd worden hier R.L. Schuursma e.a. Amsterdam Boek Band 1 (1975), James Joll, The Origins of the First World War (1984), J. Burkhardt, Der lange und der kurze Weg in den Ersten Weltkrieg (1996).
[2] Jäger, p.22.
[3] Heinemann, p. 40. Voor de Kautsky-controverse zie verder: Kautsky Hoe de wereldoorlog ontstond (Ned. vert. 2001).
[4] Heinemann, p. 23.
[5] Anglo-Amerikaanse publicaties uit de periode 1975 – 1980 suggereren dat de Franse delegatie meer bereid was tot compromissen dan algemeen wordt aangenomen. Als dit correct is zou een minder scherpe benadering van Duitse zijde en dan vooral van de minister van Buitenlandse Zaken, Brockdorff-Rantzau, wellicht speelruimte hebben kunnen bieden. Zie Heinemann, p. 50 e.v.
[6] Mombauer, p. 42.
[7] Jäger, p. 33 en Heinemann, p. 13. De volledige tekst van de Mantelnota is o.a opgenomen in Europäischer Geschichtskalender, Bd. 60, 1919, II, p. 559-567.
[8] Geiss, p. 39.
[9] Mombauer, p. 53.
[10] Heinemann, p. 37-45.
[11] Jäger, p. 46.
[12] Geiss, p. 31.
[13] Heinemann, p. 39.
[14] Jäger, p. 49.
[15] Heinemann, p. 128.
[16] Simpson, p. 26.
[17] Heinemann, p. 135.
[18] Jäger, p.49; zie ook Heinemann, p. 67.
[19] Heinemann, p. 97.
[20] Heinemann, p. 81.
[21] Mombauer, p. 60.
[22] Geiss, p. 44; Heinemann, p. 82 vermeldt alleen dat de archieven van het Pruisisch ministerie van Oorlog niet gebruikt zijn.
[23] Herwig, Clio Deceived, p. 97.
[24] Dit gebeurde dan ook. Engeland publiceerde documenten tussen 1926 en 1938. Frankrijk stelde publicatie uit; de regering vreesde dat sommige documenten aanleiding zouden kunnen zijn voor Duitsland zich te onttrekken aan herstelbetalingen. Het eerste Franse deel verscheen in 1930 maar het duurde tot 1952 voordat het laatste (32e) deel gepubliceerd werd. Met de Duitse publicatie hadden deze gemeen dat ze ook gebaseerd waren op zorgvuldig geselecteerde documenten en de eigen vooroorlogse rol verdedigden. Zie Mombauer, p. 68.
[25] Heinemann, p. 111.
[26] Fay stelde in zijn werk dat geen van de Europese grootmachten de oorlog gewild had en dat het verdrag van Versailles herzien moest worden: “de Donaumonarchie droeg meer verantwoordelijkheid dan elke ander macht”. Barnes ging verder en gaf de schuld voor het uitbreken van de oorlog aan Rusland en Frankrijk . Zie Mombauer, p. 85 e.v.
[27] Herwig, Clio Deceived, p. 105.
[28] Voorbeelden hiervan: bij opname van Duitsland in de Volkerenbond in 1925 stelde de Duitse regering dat de afgegeven verklaring dat Duitsland internationale verplichtingen zou nakomen, niet geïnterpreteerd mocht worden alsof daarmee de morele oorlogsschuld van het Duitse volk erkend werd. Ook rijkspresident von Hindenburg verklaarde in een toespraak bij de inwijding van het Tannenberg monument (1927) dat “…wij en het Duitse volk in alle geledingen de aanklacht afwijzen”. Zie o.a. Heinemann, p.225 e.v.
[29] Herwig, Of Men and Myths, p. 303; Jäger, p. 103.
[30] Voor ongeoorloofde publicatie van documenten werd von Tirpitz vrijgesproken terwijl voor eenzelfde vergrijp de voormalige secretaris van de socialist Eisner tot 11 jaar tuchthuis werd veroordeeld. Heinemann, p. 104.
[31] Jäger, p. 68.
[32] Herwig, Of Men and Myths, p. 302.
[33] Voor een beknopt overzicht van het werk van de parlementaire onderzoekscommissie zie Herwig, Clio Deceived, p. 108 e.v. waarin o.a. de ‘getuigenis’ van Hindenburg en zijn verklaring over de zg. dolkstootlegende. Voor een uitgebreid overzicht: Heinemann, p. 155 e.v.
[34] Zie voor genoemde voorbeelden Jäger, p. 60 en Heinemann, p. 204 – 218.
[35] Mombauer, p. 109.
[36] Geiss, p. 48.
[37] Heinemann, p. 232.
[38] Tijdens de Conferentie van Lausanne in 1932 werd vastgesteld dat Duitsland een slotbedrag zou betalen van 3 miljoen RM hetgeen niet gebeurde. Van het oorspronkelijke bedrag van 132 miljard goudmark heeft Duitsland in totaal ongeveer 21,5 miljard mark betaald. Zie Davies, p. 943 en Mombauer, p. 52.
[39] Jäger, p. 87.
[40] Kracht, p.12
[41] Jäger, p. 107. Citaat uit Beliën, p. 40.
[42] Mombauer, p. 123. Deze Duits-Franse bijeenkomst werd o.a. bijgewoond door de Duitse historicus Ritter en de Franse historicus Renouvin. Beiden hadden zich in het interbellum uitgesproken voor revisie van het Verdrag van Versailles.
[43] Mombauer, p. 126; Jäger, p. 114 – 116.
[44] Geiss, p. 57 voetnoot 129: Ritter, na de Tweede Wereldoorlog een prominent Duits historicus, publiceerde eind vijftiger jaren een ‘… ronduit woedende kritiek op Albertini’.
[45] Mombauer, p. 122.
[46] Kracht, p. 15
[47] Jäger, p. 136.
[48] Jäger, p. 181.
[49] Jäger, p. 143.
[50] Herwig, Of Men and Myths, p. 304.
[51] Samenvatting van de gehanteerde argumenten van Röhl over de al of niet vermeende authenticiteit van het oorlogsberaad in december 1912 is te vinden in Röhl, Vorsätzlicher Krieg? p. 213 voetnoot 49.
[52] Jäger, p. 144.
[53] Kracht, p. 16.
[54] Mombauer, p. 149.
[55] Jäger, p. 156 e.v.
[56] Mombauer, p. 163.
[57] Jäger, p. 182.
[58] Herwig, Of Men and Myths, p. 305.
[59] Mombauer, p. 156.
[60] Mombauer, p. 159.
[61] Thoß. p. 1017.
[62] Jäger, p. 167.
[63] Jäger, p. 187.
[64] Jäger, p. 169.
[65] Mombauer, p. 211.
[67] Boterman, p. 13.
[67] Jäger, p. 172.
[68] Beliën, p. 54 en 55.
[69] Stürmer, p. 96.
[70] Schöllgen, p. 172 en 173.
[71] Beliën, p. 52.
[72] “Dividing the Past, Defining the Present: Historians and National Identity in the Two Germanies”, in Stefan Berger: “Writing National Histories” (1999)
[73] Schulin, p. 5; Kracht, p. 18.
[74] Mommsen, p. 7.
 
Geraadpleegde literatuur
Beliën, Herman en van Setten, Gert Jan, Geschiedschrijving in de 20ste eeuw (Amsterdam 2000); te raadplegen op http://www.hsvl/samenvattingen/Belien+Van_Setten.pdf
Berghahn, Volker, Der Erste Weltkrieg (München 2004).
Boterman, Frits, Moderne Geschiedenis van Duitsland 1880-heden (Amsterdam 2005).
Davies, Norman, Europe, a History (Londen 1996).
Fischer, Fritz, Germany’s Aims in the First World War (vertaling van Griff nach der Weltmacht) (New York 1967).
Geiss, Imanuel, ‘Die manipulierte Kriegsschuldfrage’ in Militärgeschichtliche Mitteilungen 2/1983 (Freiburg 1983).
Heinemann, Ulrich, Die verdrängte Niederlage (Göttingen 1983).
Herwig, Holger, ‘Clio Deceived: Patriotic Self-Censorship in Germany’ in K. Wilson Forging the Collective Memory (Oxford 1996).
Herwig, Holger, ‘Of Men and Myths’ in Winter, Jay, (ed.) The Great War and the Twentieth Century (Yale University 2000).
Jäger, Wolfgang, Historische Forschung und politische Kultur in Deutschland (Göttingen 1984).
Kracht, Klaus Große, Kriegsschuldfrage und zeithistorische Forschung in D’land (Potsdam 2004); te raadplegen op zeitgeschichte-online.de/md=EWK-GKracht
Mombauer, Annika, The Origins of the First World War (Harlow – UK 2002).
Mommsen, Wolfgang, Der Erste Weltkrieg (Frankfurt am Main 2004).
Röhl, John, ‘An der Schwelle zum Weltkrieg’ in Militärgeschichtliche Mitteilungen 1/1977 (Freiburg 1977).
Röhl, John, ‘Vorsätzlicher Krieg?’ in Michalka, Wolfgang, Der Erste Weltkrieg Wirkung-Wahrnehmung-Analyse (München 1994).
Schöllgen, Gregor, ‘Deutsche Aussenpolitik im Zeitalter des Imperialismus: ein Teufelskreis?’ in Schöllgen, Gregor, Flucht in den Krieg? (Darmstadt 1991).
Stürmer, Michael, ‘Ein Nationalstaat gegen Geschichte und Geographie: Das deutsche Dilemma’ in Schöllgen, Gregor, Flucht in den Krieg? (Darmstadt 1991).
Schulin, Ernst, ‘Die Urkatastrophe des zwanzigsten Jahrhunderts’ in Michalka, Wolfgang, Der Erste Weltkrieg Wirkung-Wahrnehmung-Analyse (München 1994).
Simpson, William, Hitler and Germany (Cambridge 1991).
Thoß, Bruno, ‘Der Erste Weltkrieg als Ereignis und Erlebnis’ in Michalka, Wolfgang, Der Erste Weltkrieg Wirkung-Wahrnehmung-Analyse (München 1994).

 © 2006 - Hans Terpstra. De auteursrechten van bovenstaand artikel berusten bij de auteur.
Voor gehele of gedeeltelijke overname is dan ook uitdrukkelijk toestemming vereist van de auteur.
Dit
artikel is eerder geplaatst in De Grote Oorlog - Kroniek 1914-1918 deel 12 (Aspekt - 2006)

  naar homepage


eXTReMe Tracker