vorige brief | inhoudsopgave | volgende brief





 


Bij Tahure, den 4den April 1915.

Op de rustplaats, ver achter het front, ongeveer 40 K.M., Chatillon sur Bar, een klein stadje tusschen Vouziers en Sedan. Een gedeelte der burgerbevolking was gebleven. Daarbij kwam nog een afdeeling voor landbouw en een massa jonge lui uit den omtrek van Sedan, die als gevangenen op het veld moesten werken. Een eigenaardige aanblik, die niets van oorlog heeft, die goedmoedige soldaten van den trein, van den legertros met deze jonge lui door de straten van Sedan te zien trekken. Van verre klinkt het gebrom der kanonnen in dit dal door. Goud gaat de zon onder, haar laatste lichtende stralen vallen op de Duitsche soldaten, die vreemde akkers bebouwen en op de jonge Franschen, die tegen hun zin helpen moeten.  
... Weer naar het front, naar Tahure! Het eene granaatgat na het andere. De bodem lijkt wel doorzeefd. De bosschen alleen nog maar overblijfsels en runen, alsof een storm, een orkaan met reuzen vuisten de boomstammen als lucifers geknakt heeft. Voor onze loopgraven een beeld van huiver en ellende. Franschen en negers, zooals zij in den strijd gesneuveld zijn. Ontzettend! Nog ontzettender, als door nieuwe inslaande granaten armen, beenen en andere ledematen der reeds dooden in het rond geslingerd worden.
Wie zoolang in deze loopgraven doorbracht als onze infanteristen, wie bij zulke helsche aanvallen zijn verstand niet verloor, moet minstens voor vele dingen zijn gevoel verliezen. T veel afschuwlijks, t veel ongehoords stormde op deze arme kerels toe! Ik kan niet begrijpen, dat dit alles ten slotte kan worden verdragen. Onze kleine, arme hersens kunnen dat alles niet in zich opnemen. Men bedenke maar eens: In de vooruitgeschoven stelling 23 onze luisterpost. Nog geen tien meter daarvandaan in dezelfde loopgraaf (een oude van ons) de Fransche luisterpost. Daartusschen alleen prikkeldraad. Zandzakken bedekken den rand van onzen post. Kijk je door het schietgaatje, dan kan je dikwijls het loerende, spiedende oog van den vijandelijken post zien. Een beklemmend gevoel! Zoo dichtbij, haast voelbaar, haast tastbaar dichtbij twee menschen, de een loerend en luisterend naar het geluid en de bewegingen van den ander het geweer langzaam gericht, nog een aarzelen, loeren, een knal! En de ander dekt zich. En zoo loert de een op den ander, oog in oog! 

Hugo Steinthal















vorige brief | inhoudsopgave | volgende brief